ABRvS 5 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7129

Bip / bop / samenhang Bij besluit van 22 februari 2001 heeft de staatssecretaris de aanvraag van appellante om haar een vergunning tot verblijf te verlenen op de voet van artikel 16a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (hierna: de Vw oud) buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Bij besluit van 4 juli 2001 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 14 april 2004 heeft de minister het besluit van 4 juli 2001 ingetrokken, het bezwaar van appellante gegrond verklaard voor zover het de buitenbehandelingstelling van de aanvraag wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf betreft [..] en de aanvraag alsnog in behandeling genomen. Vervolgens heeft de minister bij besluit van 13 mei 2005 de aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Nu laatstvermelde beslissing samenhangt met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag, is het besluit van 13 mei 2005, waarbij de aanvraag is afgewezen, geen los van het bezwaar genomen primair besluit, doch deel van de beslissing op het bezwaarschrift. De rechtbank heeft het bezwaarschrift tegen de afwijzing terecht als beroepschrift aangemerkt en behandeld. Het besluit van 22 februari 2001 waarbij de aanvraag van appellante om haar een vergunning tot verblijf te verlenen buiten behandeling is gesteld, dient gelet op het voorgaande te worden aangemerkt als primair besluit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen