ABRvS 30 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA6582

Restitutie leges / samenloop naturalisatie en aanvraag om verlenging verblijfsvergunning Niet in geschil is dat, naar de minister bij brief van 25 augustus 2003 in reactie op de brief van 2 augustus 2003 heeft medegedeeld, de bij artikel 9, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap gestelde termijn voor het nemen van een beslissing op het verzoek van 20 maart 2003 op dat moment nog niet was overschreden en het gestelde in de brief van 2 augustus 2003 onvoldoende aanknopingspunten voor het verlenen van voorrang oplevert. Dat de minister, voorafgaand aan de aanvraag van 8 augustus 2003, niet heeft gereageerd op schriftelijke en telefonische verzoeken om informatie over de stand van de naturalisatieprocedure, laat derhalve onverlet dat geen grond bestaat voor het oordeel dat hij voorafgaand aan deze aanvraag een beslissing in de naturalisatieprocedure had moeten nemen. Onder deze omstandigheden mogen de gevolgen van het op 8 augustus 2003 indienen van de aanvraag, waaronder de verplichting de verschuldigde leges te voldoen, in beginsel voor rekening van [de vreemdelinge] worden gelaten. Voorts zijn ontwikkelingen na de indiening van de aanvraag, waaronder verlening van het Nederlanderschap, volgens het door de minister gevoerde beleid geen reden voor restitutie. Nu verder, ook gelet op het vorenstaande, geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld waarin de minister in redelijkheid aanleiding had behoren te zien van dat beleid af te wijken, heeft de rechtbank ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat de minister het besluit van 9 november 2005 in strijd met artikel 3:2 van de Awb heeft genomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen