ABRvS 2 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4741
Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd / horen / zorgvuldigheidsbeginsel In hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 3, van de Vreemdelingwet 2000 (hierna: Vw 2000) zijn procedurele bepalingen opgenomen omtrent de afhandeling van aanvragen om een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 en 33. Behoudens de in artikel 38 van de Vw 2000 opgenomen verplichting dat indien de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld zich omtrent zijn aanvraag te doen horen zulks moet geschieden in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die kan verstaan, heeft de wetgever niet voorzien in nadere bepalingen omtrent het horen. Ingevolge artikel 37, aanhef en onder b, van de Vw 2000 dienen daarover bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te worden gesteld. Ter uitvoering van dit voorschrift zijn de artikelen 3.110 tot en met 3.113 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) vastgesteld. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 december 2005 in zaak no. 200506206/1 (JV 2006/37) hebben de voornoemde bepalingen uitsluitend betrekking op het horen van de vreemdeling die een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 heeft ingediend. Hetzelfde geldt voor het in voormelde paragraaf C3/13.4.3 van de Vc 2000 – ter uitwerking van artikel 3.111 van het Vb 2000 – neergelegde beleid inhoudende dat, voor zover thans van belang, een exemplaar van het verslag van het nader gehoor aan de asielzoeker en de (rechts)hulpverlener van zijn keuze wordt gezonden en dat de reactietermijn in beginsel twee weken bedraagt. Het oordeel van de rechtbank houdt kennelijk in dat de minister indien een vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 heeft ingediend en in de gelegenheid wordt gesteld zich omtrent zijn aanvraag te doen horen, op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel gehouden is overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 3.111, tweede en derde lid, van het Vb 2000 en het ter uitwerking daarvan in de Vc 2000, zoals die luidde ten tijde van het nemen van het in beroep bestreden besluit, neergelegde beleid. Gezien de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 5 december 2005 valt het aannemen van een zodanige verplichting zonder dat concrete omstandigheden daartoe aanleiding geven, niet te verenigen met de hiervoor onder weergegeven wettelijke regeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl