ABRvS 23 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA0050

Bewaring / eerdere inbewaringstelling / zicht op uitzetting In grief 2 klaagt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die een oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel rechtvaardigden en de maatregel om die reden onrechtmatig is, heeft miskend dat de eerdere bewaring niet is opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting, maar na een belangenafweging, waarbij aan het belang van de vreemdeling meer gewicht werd toegekend in verband met de lange duur van de bewaring. De eerdere inbewaringstelling van de vreemdeling van 2 september 2005 is door de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, bij uitspraak van 12 september 2006 opgeheven, omdat naar haar oordeel het belang van de vreemdeling, gelet op de lange duur van de bewaring, prevaleerde boven het belang van de minister bij de inbewaringstelling. Bij die uitspraak heeft de rechtbank eveneens overwogen dat, voor zover thans van belang, nog wel zicht op uitzetting bestond en heeft zij de omstandigheid dat de minister geen concrete datum voor uitzetting op korte termijn heeft genoemd, uitsluitend betrokken bij haar oordeel over de lange duur van de bewaring. Derhalve slaagt de grief.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen