ABRvS 25 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ7877
Bewaring / zicht op uitzetting / geen bezwaar OM Door te overwegen dat, gelet op de aard en de doelstelling van voormelde voorwaarden, de vreemdeling niet op korte dan wel binnen een redelijke termijn uit Nederland kan worden verwijderd, heeft de rechtbank miskend dat bij voormelde beschikking, anders dan in de door de vreemdeling aangehaalde zaak no. AWB 06/55201 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 22 november 2006, welke uitspraak in hoger beroep door de Afdeling bij uitspraak van 8 december 2006 in zaak no. 200608442/1 (ter voorlichting van partijen aangehecht) is bevestigd, niet de voorwaarde is gesteld dat de vreemdeling Nederland niet mag verlaten, zolang nog niet onherroepelijk in de strafzaak is beslist en dat voorts – naar niet in geschil is - het OM op de hoogte was van de ter fine van uitzetting opgelegde maatregel van bewaring en geen bezwaar had tegen de voorgenomen uitzetting van de vreemdeling. De minister heeft terecht betoogd dat er onder die omstandigheden geen feitelijke belemmering was, die aan uitzetting van de vreemdeling in de weg stond en dat derhalve zicht op uitzetting, zoals dat is vereist om de vreemdeling in verband daarmee in bewaring te kunnen stellen, bestond. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de maatregel van bewaring in dit geval, wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, onrechtmatig is. De grief slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl