ABRvS 27 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ8704

Motiveringseisen / ambtsbericht / art. 29 lid 1 sub d VW 2000 Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juli 2006 in zaak no. 200602792/1; NAV 2006/25), moet de vraag of een vreemdeling voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 in aanmerking komt, worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Daarbij komt de minister een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat het besluit niet strookt met wettelijke voorschriften, dan wel de minister bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het is de taak van de rechter de beoordeling door de minister, in overleg met de Tweede Kamer, van de algehele situatie van het land van herkomst aan die maatstaven te toetsen, niet om een eigen oordeel omtrent de algehele situatie en de veiligheidssituatie aldaar in de plaats van dat van de minister te stellen. De in rechte te stellen motiveringseisen dienen aan te sluiten op evenbedoeld toetsingskader; daarbuiten dient de rechter de beoordeling van de minister te respecteren. Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat in artikel 3.106, aanhef en onder c, van het Vb 2000 de wijze waarop het beleid van andere landen van de EU bij de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, dient te worden betrokken, niet nader wordt ingevuld. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, blijkt uit het ambtsbericht en de brief van de minister van 20 maart 2006 welke argumenten de minister in hoofdzaak bepalend heeft geacht voor zijn keuze om in dezen aan te sluiten bij het ambtsbericht, te weten of sprake is van het van overheidswege voeren van een categoriaal beschermingsbeleid door een omliggend EU-land en/of door een EU-land met een vergelijkbare asielpopulatie. Dat in het ambtsbericht niets is vermeld over het beleid in Duitsland en in Frankrijk, zoals de rechtbank heeft overwogen, betekent niet dat deze landen wel een met een beleid van categoriale bescherming vergelijkbaar beleid voeren. Nu de vreemdeling verder geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht, heeft de rechtbank door nadere motiveringseisen te stellen omtrent de in artikel 3.106, aanhef en onder c, van het Vb 2000 genoemde indicator, het toe te passen toetsingskader miskend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen