ABRvS 27 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ5996
Bewaring / rechtmatig verblijf Vaststaat dat appellant over een Bulgaars paspoort, geldig tot 19 mei 2010, beschikt. Door te overwegen dat appellant niet over een geldig identiteitsdocument beschikt, omdat daarin een geldig visum ontbreekt, heeft de rechtbank miskend dat appellant, die de Bulgaarse nationaliteit heeft, voor een verblijf van ten hoogste drie maanden is vrijgesteld van de visumplicht. Voorts heeft de minister niet bestreden dat appellant zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon bij de korpschef heeft gemeld als bedoeld in artikel 4.48, eerste lid, Vb 2000 en dat ten tijde van de inbewaringstelling de termijn van drie maanden nog niet was verstreken. Appellant had derhalve voldaan aan de in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 bedoelde bij of krachtens die wet gestelde regels en zijn verblijf was krachtens die bepaling toegestaan. Mitsdien verbleef appellant rechtmatig in Nederland. De nog resterende grond voor bewaring "geen vaste woon- en verblijfplaats" kan aan het rechtmatig verblijf dat appellant krachtens artikel 8, aanhef en onder i, Vw 2000 had in dit geval niet afdoen. De minister heeft appellant ten onrechte in bewaring gesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl