ABRvS 2 juli 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH8960

Bij brief van 25 mei 1999 heeft de Examencommissie van de Faculteit der Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam (hierna: de examencommissie) aan [appellant sub 2] bericht dat het plannen van verdere co-schappen voor hem voor onbepaalde tijd is opgeschort. Bij besluit van 14 december 1999 heeft appellant sub 1 (hierna: het College van beroep) - voorzover thans van belang - het daartegen door [appellant sub 2] ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 mei 1999 vernietigd en de examencommissie opgedragen voor [appellant sub 2] co-schappen te plannen voor specialismen waarvoor hem thans niet de toegang tot de afdeling is ontzegd en voorzover de examencommissie in een overmachtsituatie verkeert, alles in het werk te stellen om deze op te heffen. Bij uitspraak van 14 februari 2001 heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam het daartegen door de examencommissie ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 12 december 2001 heeft de Afdeling het door de examencommissie tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak vernietigd en de zaak ter verdere behandeling naar de rechtbank teruggewezen. Bij uitspraak van 29 mei 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de examencommissie tegen het besluit van het College van beroep van 14 december 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het door [appellant sub 2] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen