ABRvS 29 april 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF7988
Het oordeel van een bestuursorgaan omtrent zijn eigen bevoegdheid is een besluit in de zin van art 1:3 Awb. Afwijzing verzoek om uitbaggering van ligplaatsen in kanaal. Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur appellant ten onrechte in zijn bezwaar heeft ontvangen omdat de beslissing, die de weigering om een deel van het kanaal uit te baggeren betreft, niet gericht is op enig rechtsgevolg en derhalve niet kan worden aangemerkt als een besluit. Appellant heeft het dagelijks bestuur verzocht om het kanaal ter plaatse van de door hem gehuurde ligplaats uit te baggeren. Het dagelijks bestuur heeft dit verzoek afgewezen omdat het als bevoegd gezag in de zin van art. 2.3 Scheepvaartverkeerswet niet de publiekrechtelijke taak heeft op genoemde plaats te baggeren. Deze beslissing betreft het oordeel van het dagelijks bestuur over zijn bevoegdheid terzake en dient daarmee te worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Dit heeft de rechtbank miskend. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte het bezwaar tegen het besluit met toepassing van art. 8:72.4 Awb niet-ontvankelijk verklaard. Hoger beroep gegrond. Hoger beroep van rechtbank Arnhem d.d. 12 april 2002 url(''AE3183'',../../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AE3183) . Het dagelijks bestuur van het waterschap Rivierenland. mrs. J.A.M. van Angeren, B. van Wagtendonk, H. Troostwijk
De uitspraak op rechtspraak.nl