ABRvS 15 januari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF2900
Anders dan voorheen oordeelt Afdeling dat, wanneer het schadeveroorzakend besluit rechtskracht heeft, doch (nog) niet in rechte onaantastbaar is, die schade voor vergoeding ex art. 49 WRO in aanmerking kan komen, indien het schadeveroorzakend besluit nadien alsnog onherroepelijk wordt. Afwijzing schadevergoedingsverzoek ex art. 42 WRO ter zake van waardevermindering van woonboerderij ten gevolge van de bepalingen van het door de gemeenteraad bij besluit van 24 juni 1997 vastgestelde bestemmingsplan “Bedrijventerrein De Groeve”. De afwijzing is erop gegrond dat betrokkene zijn woning heeft verkocht en dat de transportakte is gepasseerd op 22 januari 1999, derhalve voordat het bestemmingsplan bij uitspraak van de Afdeling van 2 december 1999 onheroepelijk is geworden. Vaste jurisprudentie van de Afdeling is dat art. 49 WRO uitsluitend een grondslag voor schadevergoeding ten gevolge van onder meer de bepalingen van een bestemmingsplan of een besluit tot het verlenen van vrijstelling van de voorschriften van zodanig plan biedt, voor zover en nadat dit plan of dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Deze jurisprudentie is ontstaan onder de vigeur van de wettelijke bepalingen zoals die vóór 1 juli 1986 golden ten aanzien van bestemmingsplannen. Vóór 1 juli 1986 was de datum van van kracht worden en onherroepelijk worden van een bestemmingsplan ingevolge de toen geldende wettelijke bepalingen dezelfde. Na 1 juli 1986 en tot 1 januari 1994 was volgens de in die periode van kracht zijnde bepalingen van de WRO, de datum van van kracht worden en onherroepelijk worden van planonderdelen als gevolg van de - in de regel - schorsende werking van beroep vaak dezelfde. Sedert 1 januari 1994 is van schorsende werking van beroep tegen het besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan geen sprake meer en zijn, gelet op het bepaalde in art. 28 WRO, de datum van van kracht worden en die van het in rechte onaantastbaar worden van planonderdelen niet dezelfde. Dit is slechts anders indien tijdens de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend en dat verzoek is ingewilligd. Ook voor een besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in art. 49 WRO geldt dat de datum waarop het besluit rechtskracht krijgt, niet overeenkomt met de datum waarop het besluit onaantastbaar wordt. Indien tegen bedoelde besluiten beroep wordt ingesteld, kan tussen genoemde data een aanzienlijke periode zijn gelegen. Sinds enige tijd wordt de Afdeling geconfronteerd met beroepen tegen weigering van schadevergoeding op grond van art. 49 WRO, waarbij het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit rechtskracht heeft, doch (nog) niet in rechte onaantastbaar is. Aangezien een dergelijk besluit in bedoelde periode schade kan hebben veroorzaakt die redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de belanghebbende behoort te blijven, is de Afdeling thans - anders dan voorheen - van oordeel, dat die schade voor vergoeding in aanmerking kan komen op de voet van art. 49 WRO, indien het schadeveroorzakende besluit nadien alsnog onherroepelijk wordt. In dat geval is niet de datum van onherroepelijk worden, maar de datum waarop het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit rechtskracht krijgt beslissend voor het antwoord op de vraag of tengevolge van het nieuwe planologische regime schade is geleden. Hoewel, zoals hiervoor is overwogen, schade kan zijn veroorzaakt door een besluit dat nog niet onherroepelijk is, is de datum van onherroepelijk worden van dat besluit voor de besluitvorming niet zonder betekenis. Tot dat moment bestaat immers de mogelijkheid van vernietiging van (de rechtsgevolgen van) genoemd besluit, in welk geval de gestelde schade niet op de voet van art. 49 WRO voor vergoeding in aanmerking kan komen. Hieruit volgt dat op een verzoek om schadevergoeding ex art. 49 WRO eerst inhoudelijk kan worden beslist na de datum van onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit. Een dergelijk verzoek dient derhalve na laatstgenoemde datum te worden ingediend. De raad kan een voordien ingediend verzoek aanhouden, dan wel - als prematuur gedaan - afwijzen. Een dergelijke afwijzende beslissing staat niet in de weg aan toepassing van art. 49 WRO nadat het beweerdelijk schadeveroorzakende onherroepelijk is geworden. Ten aanzien van aangehouden verzoeken met betrekking tot schade beweerdelijk veroorzaakt door de bepalingen van een bestemmingsplan geldt dat de (wettelijke) beslistermijn een aanvang neemt op de dag waarop het besluit van GS inzake goedkeuring in werking treedt (art. 28.7 WRO). Ten aanzien van aangehouden verzoeken met betrekking tot schade beweerdelijk veroorzaakt door een besluit omtrent vrijstelling vangt die termijn aan op de dag waarop de bezwaar- of beroepstermijn ongebruikt is verstreken, dan wel - in geval van beroep of hoger beroep - de dag na die waarop de betreffende rechterlijke uitspraak bekend is gemaakt. In overeenstemming met het vorenstaande is de aanvraag van appellanten ingediend na de datum waarop het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit onherroepelijk was geworden. Nu bij de aangevallen uitspraak en de beslissing op bezwaar is uitgegaan van een andere peildatum dan die waarop het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit rechtskracht heeft verkregen, is het hoger beroep gegrond. De raad van de gemeente Tynaarlo. mrs. R.R. Winter, E.M.H. Hirsch Ballin, B.J. van Ettekoven
De uitspraak op rechtspraak.nl