ABRvS 24 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF2483
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van afval, is het enkele voornemen tot hergebruik (nuttige toepassing) van het product niet doorslaggevend. Afwijzing aanvraag B&W van Tytsjerksteradiel om ontheffing van het in art. 4.41 Arbeidsomstandighedenbesluit (Besluit) neergelegde verbod om een proefzeving van asbesthoudende grond te kunnen uitvoeren en deze grond, na gunstig resultaat, te kunnen gebruiken als ondergrond ten behoeve van een beeldhouwwerk ter ere van "het bintje". Het geschil spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het asbestverbod in casu van toepassing is. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, nu B&W ten tijde van de besluitvorming niet verwijdering maar hergebruik van de grond beoogden, de asbesthoudende grond niet kan worden aangemerkt als afvalstof. De Afdeling acht het, gelet op het ontbreken van een nadere omschrijving van het begrip "afval" in het Besluit, niet onjuist dat voor de uitleg van dit begrip aansluiting is gezocht bij art. 1.1 Wet milieubeheer. Dit artikel dient evenwel te worden uitgelegd in het licht van Richtlijn 75/442/EEG (Kaderrichtlijn Afvalstoffen) van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194, p. 47), zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG. Analoge toepassing van de in dit kader gevormde Europees- en nationaalrechtelijke jurisprudentie leidt tot de conclusie dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van afval, het enkele voornemen tot hergebruik (nuttige toepassing) van het product niet doorslaggevend is. De asbesthoudende grond, waarvan B&W zich moeten ontdoen en die met het oog op sanering wordt afgegraven en vervolgens wordt gezeefd, moet in dat stadium worden aangemerkt als afval in de zin van art. 4.42.1.c van het Besluit. Eerst na het afgraven en het zeven, waarop het verbod van art. 4.41 van het Besluit niet van toepassing moet worden geacht, kan aan de grond het karakter van afval komen te ontvallen, indien deze wordt hergebruikt. Alsdan dient verdere toetsing aan art. 4.41 en art. 9.11 van het Besluit plaats te vinden. De staatssecretaris heeft zich mitsdien ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het verbod van art. 4.41 onverkort van toepassing was. Gegrond hoger beroep. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. mrs. P. van Dijk, A. Kosto, E.M.H. Hirsch Ballin
De uitspraak op rechtspraak.nl