ABRvS 23 oktober 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE9175

Imperatief-limitatief stelsel bij bouwvergunning. Wel belangenafweging in geval van discretionaire bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen. Verlenen bouwvergunning voor het plaatsen van een lichtinstallatie. Uit het bepaalde in art. 44, aanhef, Woningwet, volgt dat een bouwvergunning dient te worden geweigerd indien zich een of meer van de in dat artikel omschreven weigeringsgronden voordoen, doch dat de vergunning moet worden verleend indien zulk een weigeringsgrond ontbreekt. Bij de toepassing van dit stelsel komt men aan onderzoek en afweging van de bij de bouwvergunning betrokken belangen niet toe. Afweging van de betrokken belangen komt echter wel aan de orde indien bij het bestemmingsplan op de voet van art. 15.1, aanhef en onder b, WRO aan B&W een discretionaire bevoegdheid is toegekend tot het stellen van nadere eisen. In zulk een situatie gaat beantwoording van de vraag of al dan niet van de bestaande bevoegdheid gebruikt zal worden gemaakt vooraf aan de - op zichzelf gebonden - beslissing op de aanvraag om bouwvergunning. Appellanten betogen terecht dat B&W in de motivering van het besluit op bezwaar er geen blijk van hebben gegeven dat zij hebben onderzocht of aan de belangen van appellanten door het stellen van een nadere eis tegemoet had kunnen worden gekomen. Besluit op bezwaar is derhalve in strijd met art. 7:12 Awb. Burgemeester en wethouders van Noordenveld. mr. W. van den Brink

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen