ABRvS 14 augustus 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE6473

Het niet toestaan van hennepteelt voor medicinale doeleinden vormt geen onrechtmatige toepassing Opiumwet. Afwijzing aanvraag van verlof o.g.v. Opiumwet voor het kweken van hennep onder glas. Ingevolge art. 7.1 Opiumwet kan de Minister een verlof als bedoeld in art. 6.1 slechts verlenen ten behoeve van een drietal doeleinden, te weten wetenschappelijke of instructieve doeleinden, de volksgezondheid of de diergezondheid. Een uitwerking van deze criteria is neergelegd in de Beleidsregels voor de beslissing op aanvragen voor opiumverloven. Ingevolge art. 28 Enkelvoudige verdrag inzake verdovende middelen 1961, past een Partij, indien zij de verbouw van de cannabisplant toelaat voor de produktie van cannabis of cannabishars, daarop de bepalingen van toezicht van art. 23 m.b.t. het toezicht op de papaver toe. Ingevolge art. 23.1 en 2 van het Verdrag, richt een Partij, indien zij de verbouw van papaver voor de produktie van opium toelaat, een of meer regeringsbureaus op en houdt deze in stand om de in dit artikel genoemde werkzaamheden, waaronder vergunningverlening, uit te voeren. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank - samengevat -geconcludeerd dat het besluit van de Minister in stand kan blijven, nu in Nederland ten tijde hier van belang nog geen regeringsbureau als bedoeld in art. 23 was opgericht, zodat verlofverlening (nog) niet tot de mogelijkheden behoorde. Deze conclusie kan standhouden, zij het onder aanvulling met het navolgende. Uit het bepaalde in de Opiumwet en de daarop gebaseerde beleidsregels, voornoemd, volgt dat hennepteelt ten behoeve van medicinale doeleinden - zolang de geneeskundige werking van hennep nog niet wetenschappelijk is onderbouwd - hier te lande niet wordt toegestaan. Deze niet onrechtmatig te achten toepassing van de Opiumwet mocht voor de Minister aanleiding zijn het gevraagde verlof te weigeren. Het ten tijde van de beslissing ontbreken van een regeringsbureau als bedoeld in art. 23 is een afgeleide van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de Opiumwet. Hoger beroep ongegrond. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. mrs. J.A.E. van der Does, J.A.M. van Angeren, B.J. van Ettekoven Enkelvoudige verdrag inzake verdovende middelen 1961 23 Opiumwet 6, 7 Beleidsregels voor de beslissing op aanvragen voor opiumverloven

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen