ABRvS 14 augustus 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE6469
Vraagstelling en verslag van een door de rechtbank ingeschakelde deskundige dienen zodanig te worden geformuleerd, dat het verslag in het kader van art. 8:47.5 Awb zonder bezwaar aan partijen kan worden toegezonden. Door appellant sub 2, journalist bij het Limburgs Dagblad, wordt betoogd dat de rechtbank hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB), waarop de rechtbank haar oordeel over de passages met bedrijfs- en fabricagegegevens heeft gebaseerd. Appellant acht de handelwijze van de rechtbank, waarbij het StAB-verslag niet aan hem maar wel aan appellante sub 1 en de minister is toegezonden, in strijd met art. 8:47.5 Awb en art. 24 (oud) van de Wet op de rechterlijke organisatie. Volgens appellant is hiermee geen sprake geweest van een "fair trial" in de zin van "equality of arms" als bedoeld in art. 6 EVRM. De rechtbank heeft gemotiveerd uiteengezet waarom zij op deze wijze toepassing heeft gegeven aan art. 8:47.5 Awb. In hoofdzaak is dit wegens de bijzondere situatie dat in dit geval het ter inzage geven van het advies aan appellanten in eerste aanleg onvermijdelijk tot gevolg zou hebben gehad dat zij kennis zouden hebben gekregen van gegevens die naar het oordeel van de minister zijn te beschouwen als bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in art. 10.1.c Wob, waarvan de geheimhouding nu juist de inzet van het geding is. Deze overwegingen van de rechtbank acht de Afdeling op zichzelf begrijpelijk. Dit neemt niet weg dat met deze handelwijze art. 8:47.5 Awb is geschonden, in welk artikel, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, het ook in art. 6 EVRM neergelegde beginsel van "fair trial" is opgenomen. Reeds hierom is de door de rechtbank gevolgde handelwijze niet juist. In een situatie dat aan een deskundige is gevraagd een onderzoek in te stellen en daarover verslag uit te brengen, dienen de vraagstelling en het verslag zodanig te worden geformuleerd dat het verslag zonder bezwaar aan partijen kan worden toegezonden, zodat zij op de voet van art. 8:47.5 Awb hun zienswijze naar voren kunnen brengen. De door de rechtbank gevolgde handelwijze verdraagt zich met genoemd artikellid niet. In hoger beroep heeft appellant sub 2 benadrukt dat hij, gelet op de zijns inziens al veel te lang durende procedure, terugwijzing naar de rechtbank zeer ongewenst vindt. De Afdeling zal in dit specifieke geval aan de schending van art. 8:47.5 Awb geen consequenties verbinden. Die consequenties zouden immers tot wezenlijke verlenging van de procedure leiden. Deze door appellant sub 2 met recht naar voren gebrachte beroepsgrond leidt in dit geval dan ook niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Hoger beroep van rechtbank Maastricht d.d. 9 augustus 2001, opgenomen onder LJN url(''AD3422'',../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AD3422) . De ABRS heeft de uitspraak van de rechtbank voor het overige bevestigd. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. mrs. E.M.H. Hirsch Ballin, J.E.M. Polak, A.W.M. Bijloos
De uitspraak op rechtspraak.nl