ABRvS 8 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE2423

In het Eems-Dollardverdrag is het ontbreken van een vergunning op grond van het nationale recht niet als weigeringsgrond opgenomen. Afwijzing van het verzoek van appellant om toestemming voor het uitoefenen van de mosselvisserij in het gemeenschappelijk visserijgebied omdat appellant, hoewel hij aan het in het Eems-Dollardverdrag gestelde woonplaatscriterium voldoet, niet beschikt over een vergunning krachtens de Visserijwet 1963, zonder welke hij de mossel(zaad)visserij in het desbetreffende gebied niet zal kunnen uitoefenen. De president heeft dit standpunt onderschreven. Appellant bestrijdt de uitspraak van de president met succes. Vooropgesteld wordt dat art. 41 van het Verdrag moet worden aangemerkt als een een ieder verbindende bepaling als bedoeld in art. 93 van de Grondwet. Niet in geschil is dat appellant voldoet aan de voorwaarde die in het Verdrag voor het verkrijgen van schriftelijke toestemming is gesteld. Hoewel het Verdrag niet in de weg staat aan het vereiste van een vergunning op grond van de Visserijwet 1963, is, omdat het ontbreken van een vergunning ingevolge het nationale recht in het Verdrag niet als weigeringsgrond is opgenomen, het niet verlenen van de toestemming om deze reden strijdig met het Verdrag. De staatssecretaris en de president hebben dit miskend. Gegrond hoger beroep. Hoger beroep van President rechtbank Groningen d.d. 17 mei 2001, ECLI:NL:RBGRO:2001:AB1990. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. mrs. P. van Dijk, H.G. Lubberdink, T.M.A. Claessens

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen