ABRvS 8 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE2417

Reikwijdte van bevoegdheid van bureau en raad op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994 ten aanzien van beoordeling noodzakelijke werkzaamheden. Vergoeding van in strafzaak verleende rechtsbijstand vastgesteld op basis van 50 uren. Aan appellante was zonder voorbehoud toestemming voor het besteden van 425 uren verleend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat aan het bureau rechtsbijstandvoorziening en de raad voor rechtsbijstand een centrale rol is toegekend bij een vergroting van de beheersbaarheid van de kosten van rechtsbijstand. Deze bevoegdheid gaat echter niet zo ver, dat de raad zijn oordeel over de voor de behandeling noodzakelijke werkzaamheden zonder meer in de plaats stelt van dat van de behandelende advocaat, indien het daarvan afwijkt. Door zelf gedetailleerd te bepalen, welke gedeelten van het dossier al dan niet bestudering behoefden, hebben bureau en raad dat uitgangspunt in dit geval niet in acht genomen. Nu appellante het bureau na ieder verzoek om toestemming voor het besteden van meer uren de gevraagde inzage heeft verschaft in onder meer de door haar bestede en begrote uren en het bureau, na kennisneming daarvan, die toestemming telkenmale heeft verleend en gelet op de verhouding tussen het aantal uren waarvoor uiteindelijk toestemming is verleend en dat waarvoor betrekkelijk kort nadien vergoeding is vastgesteld, moet worden geoordeeld dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten zoals hij heeft gedaan. Gegrond hoger beroep. De raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch. mrs. R.W.L. Loeb, B. van Wagtendonk, M.G.J. Parkins-de Vin

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen