ABRvS 1 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE2039
Art. 6:20.4 Awb ook van toepassing indien de beslistermijn op de aanvraag nog niet is verstreken op het moment dat wordt beslist op het beroep tegen niet tijdig nemen van een besluit. Beroep ingesteld bij de rechtbank tegen niet tijdig nemen van een besluit door Gedeputeerde Staten (verder: GS) op het beroepschrift tegen de aanvraag om ontheffing als bedoeld in art. 10.1 Woonwagenwet. Appellanten kunnen zich niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat, nu B&W met het besluit van 2 maart 1999 niet geheel aan het beroep zijn tegemoet gekomen, GS gelet op het bepaalde in art. 6:20.4 Awb het beroep mede gericht hadden moeten achten tegen het besluit op de aanvraag. Appellanten hebben daartoe aangevoerd dat de beslistermijn van 12 weken op grond van art. 10.4 Woonwagenwet, ten tijde van het instellen van beroep nog niet was verstreken. Nu het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag prematuur was ingesteld en niet-ontvankelijk diende te worden verklaard, behoefden GS naar de mening van appellanten geen topassing aan art. 6:20.4 Awb te geven. De Afdeling deelt de zienswijze van appellanten niet, aangezien deze zienswijze de tekst en strekking van art. 6:20 Awb miskent. Deze bepaling dient ter versterking van de rechtsbescherming. Voor het standpunt dat eerst sprake kan zijn van toepassing van art. 6:20.4 Awb, indien de beslistermijn daadwerkelijk is verstreken en aldus sprake is van een ontvankelijk bezwaar of beroep, valt in de tekst noch in de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling steun te vinden. GS hadden het beroep dan ook mede gericht moeten achten tegen de beslissing van appellanten van 2 maart 1999. De rechtbank is derhalve tot de juiste slotsom gekomen. Burgemeester en wethouders van Eijsden, appellanten. mrs. P.J. Boukema, J.A.M. van Angeren, A.W.M. Bijloos
De uitspraak op rechtspraak.nl