ABRvS 13 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1795

De artikelen 8:4.e Awb en 7:61 WHW zijn niet onverbindend. Het betoog van appellant dat art. 8:4, aanhef en onder e, Awb en art. 7.61 WHW verbindende kracht missen, aangezien deze bepalingen hem met betrekking tot de besluiten van de examinator de toegang tot de onafhankelijke rechter onthouden, hetgeen volgens hem in strijd is met art. 6 EVRM, faalt. Weliswaar zijn de mogelijkheden om geschillen met betrekking tot besluiten van examinatoren voor te leggen aan de administratieve rechter beperkt, doch de Afdeling is van oordeel dat deze beperking een legitiem doel dient en niet onevenredig is aan dat doel. De beperking heeft ten doel het oordeel waarop de beperking betrekking heeft, over te laten aan personen en instanties die daartoe de vereiste deskundigheid bezitten. De toegang tot de bestuursrechter wordt daarmee evenwel niet geheel afgesneden. Bovendien is er de mogelijkheid voor appellant om zich in gevallen waarin de administratiefrechtelijke rechtsbeschermingweg niet kan worden gevolgd, tot de burgerlijke rechter te wenden. Het College van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen. mrs. P. van Dijk, C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, J.H.B. van der Meer Deze uitspraak tevens is met een samenvatting opgenomen in deze Nieuwsbrief onder nummer 141.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen