ABRvS 9 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AD8969

Bedrijfspensioenfonds is wat betreft de toepassing van de Vrijstellingsregeling Wet BPF aan te merken als persoon of college met enig openbaar gezag bekleed. De Afdeling oordeelt dat het pensioenfonds, wat betreft de toepassing van de Vrijstellingsregeling, een persoon of college met enig openbaar gezag bekleed is, in de zin van art. 1:1, eerste lid, onder b, Awb en derhalve in zoverre als bestuursorgaan moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen. De toepassing van de Vrijstellingsregeling door het pensioenfonds betreft een bij wet opgedragen publiekrechtelijk taak. Dit is niet anders wat betreft de in art. 6 van de Vrijstellingsregeling neergelegde bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling om andere redenen. De toepassing van de Vrijstellingsregeling door het pensioenfonds vindt, of het nu gaat om het verlenen van de verplichte danwel de onverplichte vrijstelling, zijn grondslag in art. 3, eerste lid, in samenhang met art. 5, tweede lid, aanhef en onder II, sub l, van de Wet BPF. Blijkens de memorie van antwoord bij het ontwerp van de wet BPF is met de zinsnede "voor alle of bepaalde groepen van bedrijfsgenoten" in art. 3, eerste lid, Wet BPF bedoeld een soortgelijke bepaling op te nemen als in de wet van 1937 op de verbindendverklaring van collectieve arbeidsovereenkomsten, te weten dat de verbindend verklaarde bepalingen verbindend zijn voor alle werkgevers en werknemers, "behalve in de gevallen door Onze Minister uitgezonderd". Het pensioenfonds dient blijkens de memorie van antwoord in dit verband de minister voor te lichten en bij te staan door aan te geven voor welke groepen het verplichtstelling wenst en voor welke groepen vrijstelling kan worden verleend. In de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: de Wet BPF 2000), die op 21 december 2000 in werking is getreden tegelijk met het vervallen van de Wet BPF, is de toebedeling van deze bestuurstaak aan het pensioenfonds in art. 13 inmiddels expliciet geregeld. Dat het verlenen van vrijstelling evenals de verplichtstelling een overheidstaak betreft, blijkt ook uit de in zowel de Wet BPF, in art. 16, als in de Wet BPF 2000, in art. 15, geregelde vrijstellingsbevoegdheid van de minister in bijzondere en individuele gevallen. Gegrond hoger beroep; terug gewezen naar de rechtbank. Het bestuur van de stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid. mrs. J.A.E. van der Does, J.A.M. van Angeren, F.P. Zwart Awb 1:1.1.b Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (Wet BPF) 3.1, 5.2.II.I, 5.3 Wet BPF 2000 13, 15 Vrijstellingsregeling Wet BPF 2, 3, 4, 5, 6, 7

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen