ABRvS 19 december 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD8891
Overgangsbepaling en gebruik. Een intensivering van het gebruik moet ook als een verandering daarvan worden aangemerkt Afwijzing bestuursdwangverzoek ten aanzien van onder meer bedrijfsactiviteiten. Op het perceel rust de bestemming "Erven, bijgebouwen toegestaan". Ingevolge art. 27.1 planvoorschriften is het verboden het bestaande gebruik van gronden en opstallen te veranderen in een gebruik voor doeleinden, die van de bestemming van de grond afwijken, tenzij in een gebruik dat meer overeenkomt met de bestemming. De strekking van het in dit artikel geregelde overgangsrecht brengt mee dat daarop geen beroep kan worden gedaan als het op de peildatum bestaande gebruik is beëindigd. Anders dan B&W stellen moet een intensivering van het gebruik ook als een verandering daarvan worden aangemerkt. Een intensivering van het op de peildatum bestaande gebruik wordt derhalve evenmin gedekt door het overgangsrecht. Ook indien het bestaande gebruik niet geheel is beëindigd, is een latere intensivering niet meer toegestaan, ook al zou dit geïntensiveerde gebruik overeenkomen met of minder intensief zijn dan het op de peildatum bestaande gebruik. Uit de stukken blijkt dat op het moment van het van kracht worden van het bestemmingsplan in 1982 tot zijn overlijden in 1992 de vader van betrokkene ter plaatse een schroothandel uitoefende. In het besluit op bezwaar hebben B&W het standpunt dat de activiteiten tussen 1992 en 1997 marginaal van aard zijn geweest, doch nimmer hebben stilgelegen, gehandhaAfdeling Na 1997 zijn de activiteiten op het perceel op een hoger plan gebracht. B&W hebben het gebruik in 1997 vergeleken met het gebruik dat plaatsvond in 1982. Gelet op hetgeen hiervoor is aangegeven hebben B&W hiermee een onjuiste maatstaf aangelegd. Nu vast staat dat de activiteiten tussen 1992 en 1997 niet meer dan marginaal van aard waren, was het in 1982 bestaande gebruik niet meer relevant. Hieruit volgt dat B&W een onjuiste uitleg hebben gegeven aan art. 27.1 planvoorschriften. Gegrond hoger beroep. Burgemeester en wethouders van Leidschendam. mrs. R.R. Winter, C.A. Terwee-van Hilten, W. van den Brink
De uitspraak op rechtspraak.nl