ABRvS 16 januari 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD8743

Geen mogelijkheid tot afwijking van de in art. 14 Provinciewet voorgeschreven tekst bij aflegging eed. Art. 14 Provinciewet niet in strijd met art. 9 EVRM. Afwijzing door de voorzitter van het verzoek om bij installatie als lid van provinciale staten te mogen afwijken van de in art. 14 Provinciewet voorgeschreven tekst van de eed. Artikel 14 Provinciewet voorziet zelf niet in de mogelijkheid tot afwijking. Indien een statenlid de eed niet wil afleggen met de voorgeschreven tekst, kan hij volgens dit artikel de verklaring en belofte afleggen. De Afdeling beoordeelt ambtshalve of het standpunt van de voorzitter dat hij appellant niet kan toestaan de eed in andere bewoordingen af te leggen, op rechtsgevolg is gericht. Het standpunt van de voorzitter impliceert dat hij appellant niet zou toelaten de functie van lid van provinciale staten uit te oefenen, als deze zou weigeren op de in art. 14 Provinciewet omschreven wijze de eed of de verklaring en belofte af te leggen. Gelet hierop vat de Afdeling het standpunt van de voorzitter op als een besluit, inhoudende de weigering appellant op grond van een eed met de door deze gewenste formulering toe te laten tot de uitoefening van de functie van lid van provinciale staten. De wet van 1911 biedt geen mogelijkheid om bij de beëdiging van een statenlid bewoordingen te gebruiken die afwijken van wat in art. 14 Provinciewet is voorgeschreven. Voor toepassing op de in 1956 of later gedeconstitutionaliseerde bepalingen, zoals die inzake de beëdiging van leden van provinciale staten, zijn noch in de tekst van de desbetreffende wetten, noch in de wetsgeschiedenis toereikende aanknopingspunten voorhanden. Het beroep op art. 9 EVRM treft geen doel. Art. 14 Provinciewet biedt de mogelijkheid te kiezen tussen enerzijds de eed, met een bevestiging van religieuze inhoud, en anderzijds de verklaring en belofte. Er is geen verschil in rechtsgevolgen tussen het afleggen van de eed dan wel van de verklaring en belofte. Dit betekent dat art. 14 Provinciewet niet een met art. 9 EVRM strijdige verplichting oplegt aan degene die bezwaar heeft tegen de religieuze bevestiging van de eed of de wettelijke formulering daarvan. Bevestigt de uitspraak van rechtbank Haarlem d.d. 7 november 2000, ECLI:NL:RBHAA:2000:AA8956. De voorzitter van provinciale staten van Noord-Holland. mrs. P. van Dijk, A. Kosto, E.M.H. Hirsch Ballin Deze uitspraak is met een materieel selectiemotief tevens onder nummer 55 opgenomen

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen