ABRvS 5 december 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD7953
De beoordeling van de kans op schade ex art. 53 Jachtwet dient door Minister zèlf te geschieden. Geen ruimte voor delegatie. Ambtshalve intrekking door Minister LNV van de op 27 oktober 1998 aan appellante sub 2 verleende vergunning ex art. 53 Jachtwet op de grond dat deze vergunning is verleend onder de voorwaarde dat slechts indien er belangrijke schade dreigt, van de vergunning gebruik mag worden gemaakt. Appellant sub 1 stelt dat een dergelijke wijze van vergunningverlening in strijd is met art. 53 Jachtwet. Appellante sub 2 betoogt in hoger beroep tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat op oneigenlijke gronden tot intrekking van de aan haar verleende vergunning is besloten. Evenals de rechtbank is de ABRS van oordeel dat de Minister bij het nemen van het primaire besluit - en de Staatssecretaris bij de beoordeling in bezwaar - terecht heeft aangenomen dat art. 53 Jachtwet het mogelijk maakt (preventief) een vergunning te verlenen wanneer schade dreigt. Uit deze bepaling volgt evenwel dat de beoordeling van de kans op schade door de Minister dient te geschieden (of door de Staatssecretaris in zijn plaats). De tekst van art. 53, in samenhang met de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling, laat te dezen geen ruimte voor delegatie. Nu uit de begeleidende brief bij de vergunning van 27 oktober 1998 moet worden afgeleid dat de Minister de beoordeling van de kans op schade had overgelaten aan appellante sub 2, was aan haar een vergunning verleend die indruiste tegen art. 53 van de Jachtwet. De Minister was gerechtigd om de vergunning - binnen vier weken na het verlenen daarvan - in te trekken. Niet is gebleken dat de belangen van appellante sub 2 van dien aard zijn dat, mede gelet op de rechtszekerheid, de Minister niet (of niet in deze vorm) tot intrekking van de vergunning mocht overgaan. 1. de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2. de Vereniging Wildbeheereenheid Haarlemmermeer, appellanten. mrs. J.A.E. van der Does, J.M. Boll, C.A. Terwee-van Hilten
De uitspraak op rechtspraak.nl