ABRvS 28 november 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD7072

Rode flamingo’s afkomstig van “ranching” (eieren afkomstig uit wild en vervolgens kunstmatig uitgebroed) niet aan te merken als gekweekte exemplaren. Weigering vergunning ex art. 21 Vogelwet 1936 voor het invoeren in Nederland en onder zich hebben van 56 rode flamingo's (Phoenicopterus ruber ruber) en het fokken met deze vogels. Niet in geschil is dat het hier gaat om vogels afkomstig van “ranching”. Dit houdt in dat de eieren uit het wild afkomstig zijn en vervolgens kunstmatig zijn uitgebroed, waarna de vogels in gevangenschap zijn grootgebracht. Partijen verschillen van mening over de vraag of de rode flamingo’s als gekweekte of als uit het wild afkomstige exemplaren moeten worden aangemerkt. De rechtbank heeft appellant terecht en op goede gronden niet gevolgd in zijn betoog dat de betrokken vogels dienen te worden beschouwd als in gevangenschap geboren en opgekweekte exemplaren die niet behoren tot de door de Vogelwet en de Vogelrichtlijn beschermde vogelsoorten. Bepalend hierbij is art. 24.a EG-Verordening nr. 939/97, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening 338/97 (de Uitvoeringsverordening), welk art. is opgenomen in het hoofdstuk “In gevangenschap geboren en gefokte specimens en kunstmatig gekweekte specimens”. Gelet op het hierin bepaalde heeft de rechtbank terecht onderschreven het standpunt van de Staatssecretaris dat als in gevangenschap gefokte dieren uitsluitend worden aangemerkt dieren die tenminste als tweede generatie afkomstig zijn uit goedgekeurde fokoperaties. Appellant doet in dit verband tevergeefs een beroep op het arrest van het Hof van Justitie ‘Vergy’ van 8 februari 1996. Anders dan appellant betoogt volgt uit dit arrest dat, ook als de desbetreffende rode flamingo’s als gekweekte exemplaren zouden moeten worden aangemerkt - quod non -, niet kan worden geconcludeerd dat de Vogelwet niet op deze vogels van toepassing is. Het Hof heeft in dit arrest weliswaar voor recht verklaard dat de Richtlijn 79/409/EEG (de Vogelrichtlijn) niet van toepassing is op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels, maar daaraan toegevoegd dat aangezien de gemeenschapswetgever het verhandelen van in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels van in het wild levende soorten niet heeft geregeld, de Lid-Staten bevoegd blijven om dienaangaande een regeling te treffen, onverminderd de toepasselijkheid van de artt. 30 (thans art. 28) e.v. EG-Verdrag op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten. Deze bevoegdheid van de nationale wetgever is eerder door de Afdeling bevestigd, bijvoorbeeld bij uitspraken van 9 december1996 inzake R01.93.1576 en R01.93.2548, ECLI:NL:RVS:1996:AD7349. Krachtens deze bevoegdheid is vervolgens met betrekking tot een groot aantal in gevangenschap gekweekte en grootgebrachte vogelsoorten beslist dat deze voortaan zonder vergunning als bedoeld in art. 21 Vogelwet mogen worden gehouden, doch voor de Phoenicopterus ruber ruber geldt dit niet. Ongegrond hoger beroep. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. mrs. A. Kosto, B. van Wagtendonk, F.P. Zwart

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen