ABRvS 28 november 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD7069

Voor het asiel- en vluchtelingenrecht kunnen (aparte) deskundigheidseisen aan advocaten worden gesteld. Afwijzing verzoeken om rechtsbijstand door nader aangegeven advocaat ter zake van bezwaarprocedures en verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening naar aanleiding van afgewezen asielaanvragen. De raad heeft kunnen stellen dat art. 13.1.a Wrb in de weg stond aan verlening van de gevraagde toevoegingen. De betrokken advocaat stond niet als advocaat op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht bij de raad ingeschreven en hij voldeed ook niet aan de door de raad op grond van art. 15.1.b Wrb gestelde deskundigheidseisen om alsnog voor zodanige inschrijving in aanmerking te kunnen komen. Voorzover appellanten van mening zijn dat voor het asiel- en vluchtelingenrecht geen (aparte) deskundigheidseisen zouden moeten worden gesteld, wordt overwogen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de raden voor rechtsbijstand een ruime mate van keuzevrijheid te laten om de inschrijvingsvoorwaarden te formuleren. Door op het terrein van het asiel- en vluchtelingenrecht specifieke deskundigheidseisen te stellen heeft de raad de grenzen van die keuzevrijheid niet overschreden. De raad voor rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch. mr. C. de Gooijer

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen