ABRvS 7 november 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD5939

Geen reistijdverletvergoeding per zaak indien sprake is van behandeling van meerdere, niet samenhangende zaken op dezelfde dag en op dezelfde plaats. Weigering een afzonderlijke vergoeding voor reistijdverlet toe te kennen. Ingevolge art. 24.1 Bvr 2000 wordt, voor het tijdverlet in verband met reizen ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand, uitgaande van de totale afstand die is afgelegd bij reizen naar de zitting (...) en naar rechtzoekenden wier vrijheid is ontnomen of beperkt, per volle gereisde 60 kilometer een halve punt toegekend (...). De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat art. 24 Bvr 2000 de strekking heeft een reistijdverletvergoeding per zaak toe te kennen indien meerdere, niet-samenhangende zaken op dezelfde dag en dezelfde plaats worden behandeld. Uit de tekst van art. 24 volgt, dat alleen een vergoeding wegens reistijdverlet kan worden toegekend indien de rechtsbijstandverlener inderdaad reistijdverlet in de betrokken zaak heeft geleden. Deze uitleg past in het systeem van het Bvr 2000, waar ook in de toelichting bij de artt. 11 en 25 is bepaald, dat indien de rechtsbijstandverlener slechts eenmaal kosten maakt voor het reizen naar de zitting, slechts één keer reiskosten en reistijdverlet worden vergoed. De wetgever heeft een breuk beoogd met het systeem zoals dat gold onder het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994. Vernietigt de uitspraak van de rechtbank De raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage, appellant. mr. P.A. Offers

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen