ABRvS 26 september 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD4360
Krachtens de BEVAR-regeling kan uitsluitend subsidie worden verleend aan varkensbedrijven en niet aan andersoortige bedrijven. Afwijzing drie aanvragen van appellant sub 1 (A) om subsidie krachtens de BEVAR-regeling omdat het subsidieplafond van de BEVAR was bereikt. Door appellant sub 2 is erkend dat ook aan andere bedrijven dan varkensbedrijven subsidie is verleend. Het hoger beroep van appellant sub 2 heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat noch uit de tekst van de BEVAR noch uit de toelichting kan worden afgeleid dat bedoeld is dat ook aan andersoortige bedrijven dan varkensbedrijven subsidie kan worden verleend. De ABRS overweegt dat gelet op de naamgeving, de tekst - onder meer art. 5.1 en art. 10.1 -, de toelichting en de informatie die in brochures aan bedrijven is gegeven, de BEVAR tot doel heeft, in verband met de aangescherpte eisen op het gebied van milieu en dierenwelzijn, steun te geven aan de beëindiging van varkensbedrijven die gelegen zijn op locaties in of grenzend aan reservaatsgebieden of natuurontwikkelingsgebieden dan wel ammoniakdepositie veroorzaken op een voor verzuring gevoelig gebied binnen de ecologische hoofdstructuur. Het gaat daarbij uitsluitend om varkensbedrijven. Weliswaar biedt de BEVAR blijkens art. 5.2, en de toelichting onder meer een overgangsregeling voor subsidie-aanvragen die op grond van eerdere regionale initiatieven waren ingediend, maar gezien doel en strekking van de regeling kan daaruit niet worden geconcludeerd dat op grond van deze overgangsregeling andere bedrijven dan varkensbedrijven voor subsidie in aanmerking kunnen komen. De afwijkingsmogelijkheid die art. 5.2, op de voorwaarde gesteld onder art.5.1.a, biedt, heeft uitsluitend betrekking op de situatie dat uit de aangifte overschotheffing 1996 zou blijken dat geen varkens werden gehouden. Kennelijk kan op grond van art. 5.2, ook subsidie worden verleend indien wordt aangetoond dat anderszins of op een ander moment sprake was van een varkensbedrijf. De omstandigheid dat appellant sub 2 de Europese Commissie gewezen zou hebben op de overgangsregeling voor de aanvragen om subsidie op grond van de NUBL, maakt dit niet anders, nu een dergelijke mededeling doel en strekking van de BEVAR niet kan oprekken. Het voorgaande betekent dat aan een aantal bedrijven ten onrechte subsidie op grond van de BEVAR is toegekend. Dit brengt mee dat thans niet kan worden beoordeeld hoe op de aanvragen zou zijn beslist indien overigens overeenkomstig de bepalingen van de BEVAR zou zijn gehandeld. Derhalve berust de afwijzing van de verzoeken om subsidie op een onvoldoende draagkrachtige motivering. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, appellant sub 2. mrs. F.P. Zwart, P.A. Offers, E.M.H. Hirsch Ballin Kaderwet LNV-subsidies 4.4, 5.1.a, 5.2, 9, 10.1, 14.3 Beëindigingsregeling varkensbedrijven in de EHS (BEVAR) (Stcrt. 1998, nr. 245) 2.1
De uitspraak op rechtspraak.nl