ABRvS 12 september 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD3994

Belanghebbende bij vergunningverlening op grond van de Rivierenwet c.q. de Wet beheer waterstaatswerken. Vergunning op grond van de Rivierenwet verleend aan A B.V. voor de bouw van een molencentrum c.a. De daartegen gerichte bezwaren van appellant zijn door verweerder ongegrond verklaard. De Afdeling oordeelt ambtshalve over de vraag of appellant belanghebbende is. Appellant is eigenaar van percelen met gedeeltelijk een bedrijfsbestemming gelegen op een afstand van enkele honderden meters van het bedrijf waarop de verleende vergunning betrekking heeft. Hij vreest dat door de bij de vergunning toegestane bebouwing de kans wordt vergroot dat zijn percelen in de toekomst onder water komen te staan tengevolge van een overstroming, waardoor hij deze niet meer zal kunnen verkopen. De Rivierenwet en de Wet van 9 december 1999 tot wijziging van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en van enige andere wetten in verband met de rijksrivieren (Stb. 1999/534) (hierna: de Wet beheer rijkswaterstaatswerken), waarbij de Rivierenwet is ingetrokken, beogen onder meer de kans op overstroming van de grote rivieren te verkleinen. Uit het vorenstaande volgt dat appellant in dit geval een voldoende kenmerkend en persoonlijk belang, dat genoegzaam valt te onderscheiden van iemand met een meer algemeen belang, heeft bij het besluit tot vergunningverlening, zodat hij terecht als belanghebbende in de zin van art. 1:2, eerste lid Awb is aangemerkt. Dat dit specifieke veiligheidsbelang wellicht ook geldt voor andere eigenaren van gronden in de directe omgeving of voor omwonenden, doet aan het vorenstaande niet af. De Minister en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat. mrs. J.H.B. van der Meer, E.M.H. Hirsch Ballin, P.A. Offers

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen