ABRvS 19 september 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD3925
Wil een advocaat voor de in art. 46 Bvr neergelegde vergoeding in aanmerking komen dan moet hij door het bureau rechtsbijstandvoorziening zijn aangewezen voor het beurtelings verlenen van rechtsbijstand aan in verzekering gestelde verdachten. Afwijzing twee verzoeken van een advocaat om een vergoeding voor het verlenen van bijstand aan een in verzekering gestelde verdachte afgewezen. Uit art. 46 Bvr in samenhang met art. 40.1 Sv volgt, dat alleen rechtsbijstandverleners, die door het bureau rechtsbijstandvoorziening zijn aangewezen voor het beurtelings verlenen van rechtsbijstand aan in verzekering gestelde verdachten, de in art. 46 Bvr neergelegde vergoeding ontvangen. Weliswaar is in de Beschikking de mogelijkheid opgenomen om op verzoek van de verdachte een bepaalde advocaat rechtsbijstand te laten verlenen, maar dat laat onverlet dat deze advocaat, wil hij voor de in art. 46 neergelegde vergoeding in aanmerking komen, door het bureau rechtsbijstandvoorziening moet zijn aangewezen voor het beurtelings verlenen van rechtsbijstand aan in verzekering gestelde verdachten. Vast staat dat in dit geval de advocaat ten tijde van het verlenen van rechtsbijstand door het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam niet op de voet van art. 40.1 Sv was aangewezen voor het beurtelings verlenen van rechtsbijstand. Het oordeel van de rechtbank dat de advocaat in de hier aan de orde zijnde gevallen op grond van art. 40 Sv rechtsbijstand heeft verleend en dat haar op grond van art. 46 Bvr voor die rechtsbijstand een vergoeding dient te worden toegekend is dan ook onjuist. Het verzoek om vergoeding is terecht afgewezen. De raad voor rechtsbijstand te Amsterdam, appellant. mrs. E. Korthals Altes, J.A.M. van Angeren, P.A. Offers Wetboek van Strafvordering 40 Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994 46 Beschikking van de Minister van Justitie van 09-01-1987 (Stcrt. 1987, 20) 2, 3
De uitspraak op rechtspraak.nl