ABRvS 25 juli 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB9072

Een ontslagbesluit van een lid van de raad van het Regionaal orgaan Amsterdam leent zich, gelijk een ontslagbesluit van een wethouder door de gemeenteraad, niet voor een inhoudelijke toets door de ABRS. Ontslagverlening met onmiddellijke ingang door raad van de gemeente Zaanstad van appellante als lid namens de gemeente Zaanstad van de raad van het Regionaal orgaan Amsterdam. Aanleiding voor het ontslag was het feit dat appellante, hoewel daartoe in een door de raad aangenomen motie opgeroepen, niet conform het meerderheidsstandpunt van de raad had gestemd inzake een pakket maatregelen ter verbetering van de bereikbaarheid van het Noordelijk deel van de Randstad. Ingevolge art. 25.4 Gemeenschappelijke regeling ROA, kan een gemeenteraad een door hem aangewezen lid tussentijds ontslaan als dit het vertrouwen van de gemeenteraad niet meer bezit. Daarbij wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 49 en 50 Gemeentewet. Deze artt. bevatten regels over ontslag van een wethouder door de gemeenteraad. Deze artikelen noemen geen gronden waarop door de raad het vertrouwen in de betrokken wethouder kan of moet worden opgezegd. Zoals de Raad van State eerder heeft overwogen lenen dergelijke ontslagbesluiten zich, vanwege het politieke karakter ervan, niet voor een inhoudelijke toetsing door de Raad van State, zodat deze zich dient te beperken tot de vraag of het besluit op de juiste wijze totstandgekomen is. Bij het voorliggende besluit is dat niet anders. Uit de stukken blijkt dat dit procedureel in overeenstemming met de wettelijke regels tot stand gekomen is. Het betoog van appellante dat het besluit strijdig zou zijn met de Kaderwet bestuur in verandering mist feitelijke grondslag, nu in de Gemeenschappelijke Regeling ROA geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die deze wet biest om de verhouding van leden van de ROA-raad ten opzichte van de gemeenteraden anders te regelen. Het beroep van appellante bij de rechtbank is derhalve ongegrond. De raad van de gemeente Zaanstad. mrs. P.J. Boukema, J.A.M. van Angeren, M.G.J. Parkins-de Vin

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen