ABRvS 27 juni 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB3095

Hoge Raad van Adel niet beslissingsbevoegd ten aanzien van verzoeken tot verlening van adeldom. Afwijzing door de Hoge Raad van Adel van verzoek tot inschrijving in het filiatieregister der Nederlandse adel. Ingevolge art. 1 van de Wet op de adeldom wordt adeldom verleend bij koninklijk besluit. Ingevolge art. 6, eerste en tweede lid, van de Wet heeft de Hoge Raad van Adel tot taak de Minister van Binnenlandse Zaken te adviseren over verzoeken tot verlening van adeldom. De Wet voorziet niet in de mogelijkheid van overdracht van de bevoegdheid in kwestie aan de Hoge Raad van Adel. Het gemis aan wettelijke grondslag voor overdracht van de bevoegdheid wordt niet goedgemaakt door de omstandigheid dat de besluitvorming een voortzetting betreft van de in het verleden gegroeide praktijk. Daargelaten of die praktijk zich verdroeg met de vóór het in werking treden van de Wet geldende regelingen, uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet blijkt genoegzaam dat de wetgever heeft beoogd de taak van de Hoge Raad van Adel in het kader van de adelsverlening strikt te beperken tot de in art. 6 neergelegde adviesbevoegdheid. De Hoge Raad was derhalve niet bevoegd een beslissing te nemen op het onderhavige verzoek. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Gegrond hoger beroep. De Hoge Raad van Adel. dr. J.C.K.W. Bartel

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen