ABRvS 29 mei 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB2289

Bewijslastverdeling inzake tijdstip herschouwing. Intrekking erkenning bedrijfsvoorraad voor een periode van 12 weken. De RDW heeft appellante in een brief medegedeeld dat vanaf 13 september 1999 een afspraak kon worden gemaakt voor een herschouwing. Appellante heeft betoogd - en zij is daarbij niet dan wel onvoldoende weersproken - dat zij na 13 september 1999 herhaaldelijk telefonisch heeft gepoogd een herschouwing te verzoeken, maar wegens telefonische onbereikbaarheid van de RDW daarin niet is geslaagd. Gelet op de inspanningen van appellante om duidelijkheid te verkrijgen over de feitelijk duur van de eerste sanctie en haar belang om de intrekking niet langer dan de gestelde 6 weken te laten voortduren, ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat appellante te laat een afspraak heeft gemaakt voor een herschouwing. Gelet op het vorenstaande deelt de Afdeling niet het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat appellante is geconfronteerd met een sanctie die langer heeft geduurd dan de opgelegde 6 weken, alleen aan appellante kunnen worden toegerekend. De Algemeen Directeur van de RDW. mr. J.H.B. van der Meer Wegenverkeerswet 1994 62.1, 62.4, 65.2.c Regeling erkenning bedrijfsvoorraad 9.1, 9.3, 11.2 Kentekenreglement 26, 28

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen