ABRvS 3 mei 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB2038
Huurvergoeding van niet-onderwijsgebouw kan worden beschouwd als een voorziening in de huisvesting inhoudende een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan in de zin van art. 76c.1.a,1(, WVO. Vaststelling overzicht als bedoeld in art. 76g WVO, voor zover het betreft de door de appellante (de Vereniging voor Christelijk Onderwijs "Liudger") aangevraagde voorziening in de huisvesting voor het jaar 1998, inhoudende huur van het transformatorhuisje van het energiebedrijf ten behoeve van de Christelijke mavo te Winsum. Aan deze aanvraag ligt ten grondslag dat bij de bouw van deze school in 1987/1988 niet was voorzien in de bouw van een inpandige hoogspanningsruimte, die aan het energiebedrijf ter beschikking moet worden gesteld voor het aanbrengen van transformatoren. Wegens het ontbreken van zo'n ruimte is toen besloten tot de huur van een - gedeelte van een - transformatorhuisje van het energiebedrijf, waarvoor de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in de jaren 1988 tot en met 1996 en de gemeenteraad op basis van het overgangsrecht van de Wet van 4 juli 1996, voor het jaar 1997 een huurvergoeding hebben verstrekt. In dit geval voorziet het transformatorhuisje in de apparatuur die noodzakelijk is voor de aansluiting van de elektrische installatie van de school op het hoogspanningsnet en dus onmisbaar is voor de energievoorziening van de school. Een schoolgebouw zonder energievoorziening voldoet niet aan de redelijke eisen die een bevoegd gezag aan een huisvestingsvoorziening mag stellen. Onder deze omstandigheden kan de gevraagde huurvergoeding van het niet-onderwijsgebouw worden beschouwd als een voorziening in de huisvesting inhoudende een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan in de zin van art. 76c.1.a,1(, WVO, en evenzeer als een voorziening in de huisvesting in de zin van art. 2.a, ten derde, van de verordening inhoudende de gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school. De delen A en B van Bijlage I bij de verordening, waarin uitsluitend is voorzien in bekostiging van lesgebouwen respectievelijk voorzieningen voor lichamelijke oefeningen, dienen niet als limitatief te worden opgevat. De rechtbank heeft dit miskend. Gegrond hoger beroep. De raad der gemeente Winsum. mrs. P. van Dijk, J.H.B. van der Meer, C. de Gooijer Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen Wet op het voortgezet onderwijs 76c.1.a.1º, 76g Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Winsum 2, 12.1, 13.1
De uitspraak op rechtspraak.nl