ABRvS 3 mei 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB1705

Brief inzake de afdracht van overwinst die als gevolg van een op grond van art. 10 Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 in de akte van erfpacht opgenomen beding aan de gemeente toekomt is geen besluit als bedoeld in art. 1:3, eerste lid Awb. Mededeling dat de aan de gemeente verschuldigde afdracht van overwinst in verband met de verkoop van het pand [...]plantsoen [...] te B ca. f. 12.000,- bedraagt. Het daartegen ingediende bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard. Afdeling: Op grond van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 (Bgsew) heeft appellant maximaal 5 jaarlijkse bijdragen van f. 4.000,- ontvangen. In de akte van overdracht in eigendom van het appartementsrecht is onder meer de akte van uitgifte in erfpacht opgenomen, met daarin een anti-speculatiebeding. Voorts is in die akte ingevolge het bepaalde in art. 10 Bgsew een beding opgenomen, op grond waarvan de eigenaar bij vervreemding van de woning binnen tien jaar na de aanvang van de eerste bewoning aan de gemeente een percentage dient te betalen van het bedrag van de waarde van de woning dat het bedrag van de kosten van het verkrijgen in eigendom van de woning te boven gaat. De Afdeling stelt vast dat de aanspraak van de gemeente is gebaseerd op een ten gunste van haar opgenomen beding in een privaatrechtelijke overeenkomst. Van terugvordering van de door de Staatssecretaris van VROM verleende subsidie is geen sprake. Evenmin is sprake van een besluit tot betaling van een vergoeding aan de subsidiegever in verband met de gestelde subsidievoorwaarden. De gemeente is niet de subsidiegever. De hoogte van de in art. 10 Bgsew bedoelde vergoeding is bovendien niet gerelateerd aan de verleende subsidie, maar aan de bij eigendomsoverdracht behaalde winst. Derhalve kan niet worden staande gehouden dat in dit geval de rechtsverhouding tussen de subsidieverlenende overheid en de burger centraal staat. Geen sprake van een besluit als bedoeld in art. 1:3, eerste lid Awb. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Ongegrond hoger beroep. Burgemeester en wethouders van Den Haag. mrs. J.J.R. Bakker, F.P. Zwart, M.G.J. Parkins-De Vin

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen