ABRvS 10 april 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB1451
1. Art. 4 Mediawet moet geacht worden te verwijzen naar Richtlijn 89/552/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG vanaf 30-07-1997. 2. HMG als verantwoordelijk voor de uitzendingen van RTL4 en RTL5 in Nederland valt onder toezicht van het Commissariaat. 3. Commissariaat heeft eigen verantwoordelijkheid om dubbel toezicht te voorkomen. Bij het bestreden besluit heeft het Commissariaat RTL/Veronica de Holland Media Groep S.A. (HMG) voor de programma's van RTL4 en RTL5 aangemerkt als verantwoordelijke omroeporganisatie, een commerciële omroepinstelling in de zin van de Mediawet en gevestigd in Nederland, die aldus onder zijn toezicht valt. Tevens heeft het daarbij te kennen gegeven dat het de voortgezette uitzending van die programma's onder bepaalde omstandigheden voor bepaalde duur gedoogt. Appellanten (RTL/Veronica de Holland Media Groep S.A. en CLT-UFA S.A.) hebben aangevoerd dat de Richtlijn 97/36/EG, waarbij Richtlijn 89/552/EEG is gewijzigd, niet juist in het Nederlandse recht is geïmplementeerd. Daartoe hebben zij primair aangevoerd dat de verwijzing naar Richtlijn 89/552/EEG in de Mediawet statisch is, zodat een wijziging van die Richtlijn een wijziging van de Mediawet vereiste, die evenwel niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat tekst noch wetsgeschiedenis op zichzelf uitsluitsel geven over de vraag of de verwijzing als een dynamische of een statische moet worden gezien en, zo deze als een dynamische moet worden gezien, vanaf welk tijdstip een wijziging van de oorspronkelijke richtlijn doorwerkt in de Nederlandse rechtsorde. Er zijn evenwel verschillende aanwijzingen om een dynamische verwijzing aan te nemen. Wat betreft het het Comtijdstip waarop een wijziging van de oorspronkelijke richtlijn doorwerkt in de Nederlands rechtsorde moet, gezien de omstandigheid dat in art. 4 Mediawet geen bijzondere maatregelen ter zake zijn getroffen en mede in het licht van aanwijzing 343 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en de toelichting daarop, in de versie zoals die gehanteerd werd in de periode tot eind 1995, ten tijde van de parlementaire behandeling van de wijziging van de Mediawet in verband met de implementatie van Richtlijn 89/552/EEG, een wijziging worden geacht direct bij de inwerkingtreding ervan door te werken en niet pas aan het einde van de implementatietermijn. De slotsom is derhalve dat art. 4 Mediawet geacht moet worden te verwijzen naar Richtlijn 89/552/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG vanaf 30-07-1997 (hierna ook gezamenlijk aan te duiden als de richtlijn). Reeds ten tijde van het nemen van het primaire besluit kon het Commissariaat de criteria van de wijzigingsrichtlijn toepassen. Met de rechtbank komt de ABRS tot het oordeel dat het Commissariaat zich bij het bestreden besluit op het standpunt heeft mogen stellen dat HMG, gelet op art. 2.3.a), althans b), eerste volzin van de richtlijn, als verantwoordelijk voor de uitzendingen van RTL4 en RTL5 in Nederland onder zijn toezicht zou moeten vallen. Een gevolg van de besluitvorming door het Commissariaat is evenwel dat er, bij de uitvoering van het desbetreffende besluit, sprake zal zijn van dubbel toezicht. De programma's van RTL4 en RTL5 staan immers reeds onder toezicht van de Luxemburgse autoriteiten, en wel van de CIR, die zich daartoe ook bevoegd acht. Het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding van een te nemen besluit, in samenhang met doel en strekking van de richtlijn en bezien in het licht van art. 10 EG-Verdrag, brengt in casu met zich dat het Commissariaat niet kan volstaan met het innemen van het standpunt dat pas na afloop van de onderhavige procedure het probleem van het dubbele toezicht zich doet gevoelen en dat dit probleem hem niet regardeert. De stelling dat de Luxemburgse autoriteiten het dubbele toezicht creëren en dat appellanten deze autoriteiten kunnen verzoeken het aldaar uitgeoefende toezicht te staken, bij een weigering waarvan eventueel de nodige rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, miskent dat het Commissariaat in ieder geval ter zake ook een eigen verantwoordelijkheid heeft om, indachtig de considerans van de wijzigingsrichtlijn (in het bijzonder de woorden "dat één en slechts één lidstaat voor een omroeporganisatie bevoegd is"), dubbel toezicht te voorkomen. Van het Commissariaat kan ten minste worden verwacht dat het deze kwestie op die wijze uitdrukkelijk door de Nederlandse vertegenwoordigers in het daarvoor in het bijzonder in het leven geroepen contactcomité aan de orde laat stellen. In zoverre is het hoger beroep gegrond. Vernietigt uitspraak rechtbank Amsterdam inzake no. 98/3461 WET 19, opgenomen onder LJN AB7477 ECLI:NL:RBAMS:2000:AA7477 . Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 03-10-1989 betreffende de coördinatie van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (de Richtlijn "televisie zonder grenzen"; PbEg L298) 2 Richtlijn 97/36/EG 1.b van het Europese Parlement en de Raad van 30-06-1997 (PbEg L 202) Mediawet 1, 4
De uitspraak op rechtspraak.nl