ABRvS 22 maart 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB0947
Uitleg "samenhangend geheel" ex art. 11.2 Wvg. Aanwijzing perceel als gronden waarop de artt. 10.24, 26 en 27 Wvg van toepassing zijn. In geding is de vestiging van een voorkeursrecht ex art. 2 Wvg. Op het perceel van appellante rustte voorheen de bestemming "agrarisch gebied-onbebouwd". Het wordt gebruikt als paardenwei. Op grond van het op 18-06-1998 vastgestelde bestemmingsplan is het perceel bestemd tot "woondoeleinden II". Appellante heeft onder meer gesteld dat de raad bij de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen. Zij stelt dat haar (niet met een voorkeursrecht bezwaarde) woonperceel in waarde zal dalen, aangezien een woning mèt paardenwei veel beter verkoopbaar is dan een woning zonder. De raad heeft dienaangaande gewezen op de procedure neergelegd in art. 11.2 Wvg. Uit dit artikelonderdeel volgt dat, wanneer onroerende zaken een samenhangend geheel vormen waarvan slechts op een deel een voorkeursrecht is gevestigd, de verkoper kan eisen dat het geheel wordt betrokken in de mogelijke aankoop door de gemeente. Vervolgens heeft de raad onder meer gesteld dat het woonperceel van appellante volledig los is gesitueerd van het perceel, waarop het voorkeursrecht is gevestigd. Beide percelen liggen, op de kortste onderlinge afstand, enige tientallen meters van elkaar verwijderd en tussen de percelen loopt een pad, waarmee de fysieke splitsing een gegeven is. De ABRS begrijpt deze redenering aldus, dat de raad, vooruitlopend op een procedure met betrekking tot de uitoefening van het voorkeursrecht, van mening is dat in casu als gevolg van de ligging van de percelen, geen sprake is van een samenhangend geheel ex art. 11.2 Wvg. Gelet op de wetsgeschiedenis van dit artikelonderdeel is de term "samenhangend geheel" echter niet speciaal territoriaal bedoeld; de samenhang kan voortvloeien uit de ligging van de percelen maar zij kan eveneens verband houden met de wijze van exploitatie. De raad heeft op dit punt dan ook blijk gegeven van een te beperkte beoordelingsmaatstaf. Voorts blijkt uit de beslissing op bezwaar niet dat de raad het door appellante aangevoerde belang in zijn besluitvorming op de juiste wijze heeft meegewogen. Voorstelbaar is dat verkoop van de woning van appellante tezamen met de paardenwei een hogere prijs oplevert dan wanneer beide percelen afzonderlijk worden verkocht. Vestiging van een voorkeursrecht op de wei kan evenwel meebrengen dat appellante tot afzonderlijke verkoop van de woning moet overgaan, waarbij het geenszins denkbeeldig is dat de opbrengst aanmerkelijk lager is dan deze bij gecombineerde verkoop zou zijn. Dit belang kan niet worden geschaard onder het (individuele) financiële belang dat reeds door de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg tegen het algemene belang is afgewogen. De raad heeft dit financiële belang dan ook in strijd met art. 3:4.1 Awb niet in zijn besluitvorming betrokken. Gegrond hoger beroep. Vernietigt het bestreden besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl