ABRvS 9 februari 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AA9961
WGP en RMG niet strijdig met art. 30 EG-Verdrag; art. 4 Transparantierichtlijn niet correct geïmplementeerd, doch geen consequenties; nieuwe berekeningsmethode verdraagt zich met WGP. De WGP en de RMG bepalen een maximumprijs per geneesmiddel die geldt, ongeacht de herkomst daarvan. Het zijn maatregelen zonder onderscheid, die worden toegepast op zowel nationale als ingevoerde producten Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EG zijn zodanige maatregelen niet strijdig met art. 30 (thans: 28) EG-Verdrag. Volgens het Hof is wel sprake van een ontoelaatbare belemmering van de invoer, wanneer ingevoerde producten niet met redelijke winst op de markt van de invoerende staat kunnen worden afgezet. ABRS overweegt dat de door de Minister toegekende betekenis aan het begrip redelijke winst niet onjuist is. De rechtbank heeft voorts terecht niet aannemelijk gemaakt geacht dat de WGP de afzet van ingevoerde geneesmiddelen in het algemeen zozeer bemoeilijkt, dat die niet met redelijke winst kan plaatsvinden. Daarbij is met juistheid in aanmerking genomen dat in de WGP is voorzien in de mogelijkheid een vastgestelde maximumprijs hoger dan op het berekende gemiddelde vast te stellen in gevallen, waarin die prijs er toe leidt dat afzet met redelijke winst onvoldoende is gewaarborgd. Appellanten hebben terecht betoogd dat art. 4.2 Transparantierichtlijn niet juist is geïmplementeerd, omdat in de WGP geen procedure is opgenomen voor het op verzoek van een belanghebbende vaststellen van hogere maximumprijzen. De richtlijn verplicht de Lid-Staten bepaalde procedurevoorschriften in acht te nemen, indien zij medicijnprijzen reguleren. Met de WGP, waarbij de vaststelling van de algemene prijsregelingen en de concrete beslissingen op individuele verzoeken zijn geïntegreerd, is art. 4.2 Transparantierichtlijn niet juist geïmplementeerd. De Awb biedt voorts niet de juridische context die de volledige toepassing van art. 4 garandeert. Zij voorziet met name niet in een verzoekprocedure, waarmee de volledige toepassing van de bepaling op bepaalde en duidelijke wijze is verzekerd. Ook overigens is daarin niet voorzien. Dit leidt in de onderhavige gevallen evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraken, reeds omdat appellanten, behoudens één, niet hebben verzocht om een verhoging van de maximumprijs. De nieuwe, naar aanleiding van de uitspraak van de ABRS van 26-05-1998 inzake no. H01.97.0649/Q01, AB 1999, 372) door de Minister toegepaste berekeningsmethode verdraagt zich nu wel met de WGP. De Minister is, door de prijs van een geneesmiddel in de verpakking met de laagste prijs per eenheid product en de overige prijzen van dit geneesmiddel in dezelfde verpakkingsgrootte te middelen, tegemoet gekomen aan het in evengenoemde uitspraak gesignaleerde bezwaar. Bij de berekening van de maximumprijzen voor geneesmiddelen die in Nederland onder octrooi staan, maar in referentielanden niet meer, heeft de Minister terecht de prijzen van alle farmaceutisch vergelijkbare generieke geneesmiddelen in de referentielanden in aanmerking genomen. (Overigens leiden de aangevoerde argumenten tegen de door de Minister gehanteerde berekeningswijzen niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep). Met de RMG is geen sprake van een onevenwichtige belangenafweging. Ongegrond hoger beroep. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. dr. J.C.K.W. Bartel, R.W.L. Loeb, B. van Wagtendonk EG-Verdrag 30 (thans: 28) Richtlijn 89/105/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21-12-1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg (Transparantierichtlijn) 4 Wet geneesmiddelenprijzen (Stb. 1996, 90) (WGP) 2, 3 Regeling maximumprijzen geneesmiddelen (RMG)
De uitspraak op rechtspraak.nl