ABRvS 15 januari 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AA9746

Aanbieding ex art. 10.1 Wvg dient te voldoen aan de formele vereisten van art. 7 Bvg. Mededeling B&W dat zij brief van appellant van 21-09-1998 niet hebben beschouwd als een aanbieding gedaan in het kader van de Wvg, zodat zij het bepaalde in art. 12 Wvg. niet aan de orde achten. De rechtbank heeft geoordeeld dat B&W terecht hebben gesteld dat de bewuste brief van appellant geen aanbieding is ex art. 10.1 Wvg. Zij heeft daartoe o.m. overwogen dat in die brief niet expliciet is gesteld dat deze als een zodanige aanbieding is bedoeld. De brief is blijkens de aanhef een verzoek aan B&W om nadere informatie, waarin de betreffende passage eerst aan het slot is opgenomen. De brief is voorts niet aangetekend of met bericht van ontvangst verzonden. De ABRS verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank Met het voldoen aan de formele eis van art. 7 Bvg om een aanbieding te doen bij aangetekende brief of tegen bericht van ontvangst wordt de ernst van de aanbieding onderstreept. Voorts wordt door het bewijs van verzending en ontvangst onzekerheid over de aanvang van wettelijke termijnen voorkomen. Appellant heeft zich bij het opstellen van de brief en daarna laten bijstaan door een advocaat. Bovendien wordt de eis van art. 7 Bvg genoemd in de kennisgeving die aan appellant is verzonden bij het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht. Onder die omstandigheden konden B&W van appellant verwachten dat hij, indien hij een serieuze aanbieding wilde doen, zich daarbij zou houden aan de ter zake geldende formele vereisten. Gelet voorts op de wijze waarop de bewuste brief is opgesteld, behoefden B&W die brief niet op te vatten als een aanbieding in het kader van de Wvg. Ongegrond hoger beroep. Burgemeester en wethouders van Den Haag. mrs. E. Korthals Altes, A. Kosto, J.A.M. van Angeren

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen