ABRvS 19 januari 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AA9699

Art. 12 Waterstaatswet 1900 kan ook worden toegepast in het geval dat het besluit tot aanleg of verbetering van de watergang enkel betrekking heeft op de aanleg of verbetering van onderhoudspaden waarbij het profiel en de taluds van een bestaande watergang ongewijzigd blijven. De rechtbank heeft geoordeeld dat in waterstaatkundige zin een onderhoudspad een wezenlijk onderdeel van een watergang uitmaakt en dat onder het begrip watergang ex art. 12.1 van de Wet dan ook een watergang met inbegrip van het onderhoudspad dient te worden verstaan. Appellanten oordelen deze uitleg onjuist. Naar hun mening kan art. 12 niet worden toegepast voor het uitsluitend aanleggen of verbreden van een onderhoudspad, omdat in een dergelijke situatie onteigening zonder meer is uitgesloten en tevens omdat geen sprake is van verbetering van de watergang, aangezien het pad daartoe niet behoort. De ABRS is echter van oordeel dat het bestuur niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat, gezien de omvang van de betrokken gronden, de belangen van appellanten in dit geval redelijkerwijs onteigening niet vorderen en voorts dat de rechtbank op goede gronden de uitleg van het bestuur heeft onderschreven. Een voorafgaande onteigeningstoets, als blijkens de stukken door appellanten voorgestaan, is niet aan de orde. Derhalve kan art. 12 Waterstaatswet 1900 ook worden toegepast in het geval dat het besluit tot aanleg of verbetering van de watergang enkel betrekking heeft op de aanleg of verbetering van onderhoudspaden en het profiel en de taluds van een bestaande watergang ongewijzigd blijven. Het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa's. mrs. J.J.R. Bakker, B. van Wagtendonk, E.A. Alkema

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen