ABRvS 15 januari 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AA9523

Na vernietiging van beslissing op bezwaar blijft uitgangspunt dat de feiten en omstandigheden ten tijde van de (nieuwe) beslissing op bezwaar bepalend zijn. Bij primair besluit is ontheffing verleend als bedoeld in art. 25 Natuurbeschermingswet (verder: de Wet) van de verbodsbepalingen wat betreft het vangen, pogen te vangen, onder zich hebben en vervoeren van de hamster (Cricetus cricetus) en het verstoren of beschadigen van zijn nest of hol. De ontheffing is verleend in verband met de inrichting van twee bedrijventerreinen, waarmee beoogd wordt te voorzien in uitbreiding van de werkgelegenheid in de regio Heerlen-Aken. Na vernietiging van de beslissing op bezwaar door de Afdeling bij uitspraak van ECLI:NL:RVS:2000:AA6571 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarbij de bezwaren opnieuw ongegrond zijn verklaard. Volgens appellanten kan een regionaal werkgelegenheidsbelang niet worden aangemerkt als dwingende reden van groot openbaar belang, als bedoeld in art. 2, aanhef en onder c van het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet (het Besluit) en in art. 16, eerste lid, aanhef en onder c van de Habitatrichtlijn. Onder verwijzing naar actuele cijfers t.a.v. werkloosheid in Heerlen voeren zij aan dat er geen behoefte meer is aan arbeidsplaatsen vanwege krapte op de arbeidsmarkt en een groot aantal onvervulde vacatures. Afdeling: Volgens vaste rechtspraak heeft bij de toepassing van art. 7:11 Awb als uitgangspunt te gelden dat de beslissing op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar en de te dien tijde geldende rechts- en beleidsregels. Er bestaat geen aanleiding om na de vernietiging van een beslissing op bezwaar op dit uitgangspunt een uitzondering te maken. Gelet hierop diende de behoefte aan arbeidsplaatsen door verweerder te worden getoetst aan de hand van feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing op bezwaar, te weten op 21 juli 2000. Verweerder heeft, door de vraag of GS de noodzaak van de aanleg van het bedrijventerrein zoals door het bestemmingsplan mogelijk gemaakt hebben kunnen onderschrijven, gelijk te stellen aan de vraag of verweerder het voorzien in regionale werkgelegenheid heeft kunnen beschouwen als dwingende reden van groot openbaar belang, miskend dat de vraag naar de noodzaak in het kader van een bestemmingsplan met als doel te komen tot een goede ruimtelijke ordening, niet zonder meer kan worden gelijkgesteld aan de vraag of een dwingende reden van groot openbaar belang bestaat in het kader van een ontheffing op grond van de Wet, waarbij als doelstelling heeft te gelden de bescherming van daartoe aangewezen diersoorten. De Afdeling kan het betoog van verweerder dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 1999 inzake de goedkeuring van het bestemmingsplan, rechtens vast zou staan dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang als bedoeld in art. 2, aanhef en onder c Besluit dan ook niet volgen. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder. mrs. R. Cleton, R.H. Lauwaars, P.J.J. van Buuren Awb 7:11 Natuurbeschermingswet 25 Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet 2.c Habitatrichtlijn 16.1.c

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen