ABRvS 19 december 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA9473

Nadere afstemming van toepassing zijnde openbaarmakingsregelingen (Wob en artikel 22 Bestrijdingsmiddelenwet). Afwijzing door Minister van VWS van verzoek van GS van Noord-Holland om inzage in alle door producenten gedane aanvragen voor de verdere toelating van koperhoudende antifouling verven. Eerder heeft de ABRS overwogen (uitspraak van 10 augustus 2000 in zaak nr. 199900744/1 (ECLI:NL:RVS:2000:AA6889)) dat art. 22 Bmw de Wob in haar toepassing beperkt, indien en voor zover sprake is van een verzoek om inzage in een toelatingsaanvraagformulier betreffende een stof die bestanddelen bevat die schadelijk zijn voor de mens, of voor dieren of planten, welker instandhouding gewenst is. Thans overweegt zij nader dat de Wob ook onder andere omstandigheden wijkt voor de bijzondere regeling van art. 22 Bmw. Daarbij is vooral van belang dat de vraag of sprake is van schadelijke bestanddelen van een stof nu juist in de toelatingsprocedure, waarin de inzichten daaromtrent zich gaandeweg vormen, moet worden beoordeeld, zodat voor beantwoording van de vraag of Wob, dan wel de regeling van art. 22 Bmw van toepassing is, het moment waarop het verzoek om openbaarmaking wordt gedaan bepalend zou zijn. Voorts zouden op een verzoek om inzage in documenten, voor zover die betrekking hebben op schadelijke bestanddelen van een stof, de Bmw en voor het overige de Wob van toepassing zijn, met als gevolg dat ook in zoverre twee verschillende rechtsingangen ontstaan, hetgeen uit een oogpunt van een overzichtelijke rechtsbedeling zo ongewenst voorkomt, dat de wetgever dat niet bedoeld kan hebben. Het vorenstaande betekent dat de Minister op het verzoek van GS ten onrechte de Wob heeft toegepast. De rechtbank heeft dit onderkend en terecht overwogen dat het CBB terzake van een geschil omtrent de Bestrijdingsmiddelen bevoegd is, maar zij heeft daaraan ten onrechte de conclusie verbonden dat zij onbevoegd was om van het beroep kennis te nemen, nu het bestreden besluit strekt tot toepassing van de Wob. Het oordeel dat dit onjuist was had haar tot de conclusie behoren te leiden dat dat besluit niet steunt op een deugdelijke motivering. Gegrond hoger beroep. College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, appellant. mrs. R.W.L. Loeb, J.A.M. van Angeren, B. van Wagtendonk

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen