ABRvS 24 augustus 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA7143

Wet van 29 mei 1997 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met decentralisatie van de huisvestings- en bestedingsbeslissingen en vervallen van het economisch claimrecht (Stb. 1997, 229) III.1 Regeling bekostiging huisvesting bve-sector Wet van 29 mei 1997 kan geen grondslag vormen voor verrekening van huisvestings- en inventariskostenvergoeding over de periode van 1 januari tot en met 30 juni 1997. Ingevolge art. III.1 van de Wet van 29 mei 1997 wordt tot het tijdstip waarop de algemene maatregelen van bestuur op grond van art. 2.2.1, 2.3.1 en 2.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs in werking treden binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, bij ministeriële regeling jaarlijks de rijksbijdrage voor huisvestingskosten vastgesteld met inachtneming van de artt. 2.2.1.2 en 2.2.1.4, 2.3.1 en 2.4.1 van die wet. De Regeling bekostiging huisvesting bve-sector strekt ter uitvoering van o.m. art. III van de Wet van 29 mei 1997. De Wet en de Regeling zijn in werking getreden op 01-07-1997. De Wet voorziet niet in het met terugwerkende kracht tot 01-01-1997 invoeren van de nieuwe bekostigingssystematiek voor huisvestingskosten. Het stond de Minister dan ook niet vrij in de Regeling een regeling te treffen die terugwerkende kracht tot 01-01-1997 impliceert. Hieruit volgt dat de Minister i.c. over de periode van 01-01-1997 tot 01-07-1997 ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de Regeling. Het besluit van 18-07-1997 waarbij de Minister de rijksvergoeding huisvesting over 1997 ten behoeve van appellante's instelling heeft vastgesteld en het totaalbedrag van de huisvestings- en inventariskosten over de periode van 01-01 tot en met 30-06-1997 heeft verrekend en het besluit van 20-10-1997 waarbij de Minister de rijksvergoeding huisvesting over 1997 ten voordele van appellante heeft gewijzigd, zijn in zoverre dan ook in strijd met de Wet van 29 mei 1997 genomen. Een redelijke wetsuitleg kan niet tot een ander oordeel leiden. Nog daargelaten dat de rechtszekerheid zich daartegen verzet, kan een redelijke wetsuitleg er niet toe leiden dat wordt afgeweken van de in art. VI van de Wet van 29 mei 1997 opgenomen datum van inwerkingtreding. Gegrond hoger beroep. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. mrs. J.H.B. van der Meer, J.H. Grosheide, J.A.M. van Angeren Wet van 29 mei 1997 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met decentralisatie van de huisvestings- en bestedingsbeslissingen en vervallen van het economisch claimrecht (Stb. 1997, 229) III.1 Regeling bekostiging huisvesting bve-sector

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen