ABRvS 10 augustus 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6877
Gebruiksplan Schiphol geen besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. Besluit Minister inzake partieel vaststellen van gebruiksplan Schiphol 1999. Afdeling beantwoordt de vraag of de vaststelling van het gebruiksplan Schiphol een besluit is in de zin van art. 1:3, eerste lid, Awb, ontkennend. Het gebruiksplan - dat wordt opgesteld met het oog op preventieve handhaving van de geluidszones - bevat slechts een prognose omtrent het toekomstige gebruik van het luchtvaartterrein voor de komende 12 maanden. Aan de vaststelling van het gebruiksplan komt geen zelfstandige betekenis toe. Hierdoor wordt geen rechtsverhouding vastgesteld, gewijzigd of in het leven geroepen. Dit betekent niet dat het vastgestelde gebruiksplan irrelevant is voor de vraag of handhavend kan worden opgetreden, doch wel dat het plan voor het antwoord op deze vraag niet beslissend is. De bevoegdheid tot handhaving vloeit rechtstreeks voort uit de Luchtvaartwetgeving en ontstaat eerst indien sprake is van een (dreigende) overschrijding van de vastgestelde geluids- en veiligheidszone. Het gebruiksplan is voorts niet beslissend voor de toewijzing van slots. De zogeheten declared capacity - en niet het gebruiksplan - vormt het kader waarbinnen de slotcoördinator tot het toewijzen van slots kan overgaan. Bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder mrs. P. van Dijk, J.H. Grosheide, J.A.M. van Angeren
De uitspraak op rechtspraak.nl