ABRvS 30 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6730
1. Art. 8:29 Awb beperkt recht op eerlijk proces niet in zijn essentie; 2. Art. 6.1 EVRM noopt tot oordeel omtrent geheimhouding door andere kamer van de rechtbank. Weigering legalisatie van Nigeriaanse geboorteverklaring en verklaring van ongehuwd-zijn. Appellante is met een beroep op art. 8:29 Awb kennisneming onthouden van de stukken die betrekking hebben op het verificatie-onderzoek. Ook de Afdeling heeft geheimhouding van de desbetreffende stukken gerechtvaardigd geacht. Aan de noodzaak tot bronbescherming en bescherming van de bij het verificatie-onderzoek gehanteerde methoden en technieken komt in het onderhavige geval meer gewicht toe dan aan het belang van appellante om van deze stukken kennis te nemen. Art. 6 EVRM bevat minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, doch deze normen zijn niet absoluut. De nationale wetgever mag bepaalde procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt aangetast. De beperkingsmogelijkheid van art. 8:29 Awb is met zodanige waarborgen omkleed, dat het recht op een eerlijke procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt beperkt: beperking van de kennisneming kan slechts om gewichtige redenen worden aangebracht, terwijl het derde lid de toetsing daarvan aan de rechter opdraagt. Ingevolge het vijfde lid is het aan de andere partij overgelaten om te beslissen of de rechter mede op de grondslag van de achtergehouden of geheim gehouden inlichtingen of stukken uitspraak kan doen. In een geval waarin toestemming is geweigerd om de geheime stukken in het oordeel van de Rechtbank te betrekken is het, in verband met de eis van onpartijdige rechtspraak, neergelegd in art. 6.1 EVRM, ongewenst dat dezelfde rechter als die welke het verzoek van de minister ex art. 8:29.1 Awb heeft beoordeeld, op de beroepen van appellante heeft beslist. In het wetsvoorstel nr. 26 523 (eerste evaluatiewet Awb) wordt het vijfde lid van art. 8:29 Awb in dier voege aangevuld dat, indien de toestemming wordt geweigerd, de zaak wordt verwezen naar een andere kamer. In de omstandigheid dat de Rechtbank heeft nagelaten de zaak naar een andere kamer te verwijzen is er evenwel geen grond gelegen voor vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu dit gebrek geacht moet worden te zijn geheeld met de behandeling van het geschil in hoger beroep door de Afdeling.Immers, art. 8:29 Awb in verbinding met het eerste lid van art. 39 Wet op de Raad van State richt zich tot de hoger-beroepsrechter zelf. De Afdeling kan de zaak in hoger beroep volledig opnieuw behandelen en heeft het hoger beroep behandeld in een andere samenstelling dan het verzoek om toepasssing van art. 8:29 Awb. De Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder mrs. P. van Dijk, J.M. Boll, H. Bekker
De uitspraak op rechtspraak.nl