ABRvS 8 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6431
In Keur vastgelegde ontvangstplicht van maaisel in verband met periodiek onderhoud is niet in strijd met art. 11 Waterstaatswet 1900. Beroep tegen vaststelling Keur. Het geschil is beperkt tot de rechtmatigheid van art. 7.1 Keur. Ingevolge dit artikelonderdeel ontvangt een eigenaar of gebruiker van aan oppervlaktewater grenzende gronden om het andere jaar alle specie en maaisel dat vrijkomt bij het periodieke onderhoud van dat oppervlaktewater, zoals bedoeld in art. D4 van de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant. Art. 7.1 vindt zijn grondslag in de eerste plaats in de het algemeen bestuur op grond van art. 78.1 Waterschapswet toekomende autonome verordenende bevoegdheid, zodat niets in de weg staat aan rechtstreekse toetsing aan art. 11 Waterstaatswet 1900. Het eerste lid van dit art. bevat geen uitputtende regeling voor de ontvangstplicht van met het oog op onderhoud verwijderd organisch materiaal. Met deze bepaling is beoogd uit te sluiten de ontvangstplicht van specie die niet verband houdt met het onderhoud van de watergang. Niet kan worden staande gehouden, dat art. 11 in de weg staat aan de bevoegdheid van het algemeen bestuur regels te stellen omtrent de ontvangstplicht van ander materiaal dan specie in verband met onderhoud van de oppervlaktewateren. Ontvangstplicht art. 7.1 Keur dan ook niet in strijd met genoemd art. 11. De Commissie wegen-, vervoers- en waterschapszaken van de provincie Noord-Brabant, verweerder mrs. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, P.J.J. van Buuren, C.A. Terwee-van Hilten Waterstaatswet 1900 11.1 Waterschapswet 78.1, 153, 155 Verordening Waterhuishouding Noord-Brabant 1994 D12.1 Keur oppervlaktewateren waterschap Mark en Weerijs 1996 7.1
De uitspraak op rechtspraak.nl