ABRvS 19 mei 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6380
Conclusie dat voortzetting bedrijf niet afhankelijk is van resultaat verzochte rechtsbijstand kan niet slechts worden gebaseerd op enkele feit dat geen sprake meer is van bedrijfsmatige activiteiten. Grensgeval. Afwijzing verzoeken om toevoeging op de grond dat zij rechtsbijstand betreffen ter zake van geschillen ontstaan uit voormalig bedrijfsmatig handelen. De uitzonderingssituatie ex art. 12.2.e van de Wet doet zich volgens de raad niet voor. In dit artikelonderdeel is bepaald dat rechtsbijstand niet wordt verleend, indien het rechtsbelang, waarop het verzoek betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand. Betrokkene heeft aangevoerd steeds voornemens te zijn geweest zijn handelsactiviteiten voort te zetten. Onweersproken is dat betrokkene ten tijde van de verzoeken geen bedrijfsmatige activiteiten ontplooide. Dit enkele feit is echter, evenmin als het feit dat de onderneming, waarin die activiteiten eerder werden ontplooid, op dat moment niet meer bestond, voldoende voor de conclusie dat de voortzetting van het bedrijf niet afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand. Volgens de Memorie van Antwoord kan zich een grensgeval voordoen, indien het bedrijf van de zelfstandige direct in zijn voortbestaan wordt bedreigd en voortzetting afhankelijk is van het resultaat van de op dat moment verzochte rechtsbijstand. In het uiterste geval kan dan sprake zijn van een situatie, waarin feitelijk geen sprake meer is van een bedrijfsuitoefening. In een dergelijk geval zou tot het verlenen van rechtsbijstand besloten kunnen worden aldus de Memorie. Dat de raad zich van het vorenstaande voldoende rekenschap heeft gegeven, blijkt niet. Voorts in aanmerking genomen dat betrokkene met de verzochte toevoegingen beoogt de voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijke handelsvoorraad terug te krijgen, moet de gevolgtrekking zijn dat het besluit een draagkrachtige motivering ontbeert. Gegrond hoger beroep, gegrondverklaring beroep bij rechtbank en vernietiging bestreden besluit. De vernietiging betekent geenszins dat de gevraagde toevoegingen moeten worden verleend. Onderzocht dient te worden of betrokkene, ondanks zijn faillissement en de uitschrijving van zijn onderneming uit het handelsregister, tot het tijdstip waarop hij de toevoegingen heeft aangevraagd, heeft beoogd zijn bedrijfsmatige activiteiten voort te zetten en slechts het ontbreken van toegang tot de handelsvoorraad daaraan in de weg stond. De raad voor rechtsbijstand te ’s-Gravenhage, verweerder mr. R.W.L. Loeb
De uitspraak op rechtspraak.nl