ABRvS 16 mei 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6092
- Zuivelfabriek geen bestuursorgaan als bedoeld in art. 1:1 Awb; - Niet de directeur, klachtencommissie en raad van beroep bevoegd kennis te nemen van bezwaar tegen oplegging van korting, maar het Productschap voor Zuivel. Hoger beroep van Rb. Groningen d.d. 20 april 1999. Besluit tot oplegging korting op geleverde melk i.v.m. aantreffen van een bepaalde stof in de melk. Rb. heeft zich niet bevoegd geacht om kennis te nemen van het beroep, ingesteld tegen de besluiten van de directeur, de klachtencommissie en de raad van beroep, aangezien geen sprake is van besluiten als bedoeld in art. 1:3 Awb. Afd.: De zuivelfabriek is geen orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld. Zij kan evenmin worden gezien als een bestuursorgaan in de zin van het bepaalde onder b van art. 1:1, eerste lid Awb. In de Landbouwkwaliteitsverordening 1994 is een zuivelfabriek in art. 12 de taak toebedeeld om een korting in te houden over de totale hoeveelheid door een melkveehouder in een bepaalde periode geleverde melk en in art. 11 is haar eveneens opgedragen een kwaliteitstoeslag uit te betalen, maar de beslissingen omtrent deze uitbetaling en inhouding moeten blijkens het systeem van deze verordening worden toegerekend aan het Productschap voor Zuivel. Uit art. 12 volgt dat de voorzitter van het Productschap de in te houden korting bepaalt. Een zuivelfabriek verleent slechts financieel-administratieve bijstand. Zij heeft niet de publiekrechtelijke bevoegdheid tot het bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten. De brieven van 24 juli 1995, 28 juli 1995 en 15 augustus 1995 moeten worden geacht besluiten te bevatten van het Productschap voor Zuivel. Daartegen staat ingevolge de Awb bezwaar open bij dat lichaam. Tegen de beslissing op bezwaar staat vervolgens o.g.v. art. 18 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De Directeur heeft zich derhalve ten onrechte bevoegd geacht kennis te nemen van het bij hem gemaakte bezwaar. Dezelfde conclusie geldt voor de daaropvolgend door de klachtencommissie en de raad van beroep genomen beslissingen. De Rb. heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard. Nu de primaire besluiten moeten worden toegerekend aan het Productschap was de Directeur weliswaar onbevoegd op het bezwaar te beslissen, maar hij heeft dit wel gedaan. Diens brief van 21 september 1995 is naar zijn aard een beslissing op het bezwaarschrift en tegen een zodanig beslissing staat beroep open, in dit geval bij de Rb. Ook tegen de beslissingen van de klachtencommissie en de raad van beroep staat beroep open bij de Rb., nu deze beslissing voortborduren op de beslissing van de directeur. De Rb. had de genoemde beslissingen echter dienen te vernietigen. De brief van appellant had ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden moeten worden naar het Productschap voor Zuiver. Hoger beroepen gegrond. Brief van appellant als bezwaarschrift doorgezonden naar het Productschap voor Zuivel. 1. De Directeur van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel; 2. de Klachtencommissie boerderijmelk van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel; 3. de Raad van Beroep van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel. verweerders mrs. J.J.R. Bakker, A. Kosto, B. van Wagtendonk
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 18 Wbbo
- Artikel 2 LKW
- Artikel 8 LKW
- Artikel 10 LKW
- Artikel 1:1 Awb
- Artikel 1:3 Awb
- Artikel 1:5 Awb
- Artikel 8:26 Awb
- Artikel 3 Landbouwkwaliteitsbesluit rauwe melk en zuivelbereiding
- Artikel 4 Landbouwkwaliteitsbesluit rauwe melk en zuivelbereiding
- Artikel 7 Landbouwkwaliteitsbesluit rauwe melk en zuivelbereiding