ABRvS 10 april 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA5842

Begrip "derde" ex art. 16 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV). Geweigerde inzage in BVD-dossiers overleden vader en grootvader op grond van WIV, niet in strijd met artt. 8 en 10 EVRM. Afwijzing verzoek om inzage in eventuele BVD-dossiers van overleden vader en grootvader op de grond dat, nu het verstrekken van deze gegevens niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de in art. 8 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) omschreven taak van de BVD, art. 16.1 WIV aan de Minister geen ruimte biedt tot inwilliging van het verzoek. De WIV bevat een uitputtende regeling inzake openbaarmaking welke als bijzondere regeling voorrang heeft boven die van de Wob. De verzoeker is aan te merken als "derde" ex art. 16.1 WIV. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van dit art. komt aan het begrip "derde" dezelfde betekenis toe als welke daaraan in het ontwerp van de Wet persoonsregistraties is gegeven: een persoon of instantie buiten de organisatie van de houder, m.u.v. de bewerker of de geregistreerde. Ook indien de verzoeker erfgenaam van de geregistreerde(n) is, maakt hem dat niet tot een ander dan een "derde". Beroep op art. 8 EVRM faalt. Het bestreden besluit vormt geen inmenging m.b.t. de uitoefening van het recht van de verzoeker op eerbiediging van diens privé-leven of familie- en gezinsleven, nu de verlangde informatie niet op de persoon van de verzoeker zelf betrekking heeft en niet valt in te zien dat die informatie raakt aan het actuele familie- en gezinsleven van de verzoeker. Dat de verzoeker erfgenaam is, vormt ook geen reden voor het oordeel dat de uit dit art. voortvloeiende positieve verplichting bestond om hem inzage te verlenen. Beroep op art. 10 EVRM kan evenmin slagen, daar die verdragsbepaling geen algemene verplichting voor de overheid inhoudt tot het verstrekken van informatie. Bovendien geldt t.a.v. beide verdragsbepalingen, dat beperkingen kunnen worden aangebracht ter bescherming van de rechten van derden. Ongegrond hoger beroep. De Minister van Binnenlandse Zaken (thans de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) mrs. J.A.E. van der Does, J.A.M. van Angeren, B. van Wagtendonk

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen