Rb. Zwolle 29 juli 2002, ECLI:NL:RBZWO:2002:AE7090

Onzekerheid over recht op loon a.b.i. art. 47a.2 ZW. Ingaande 15 augustus 2001 is verzoeker ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn functie anders dan wegens ziekte of gebreken. Op 6 augustus 2001 is verzoeker uitgevallen wegens ziekte. Verweerder heeft ziekengeld geweigerd met ingang van 15 augustus 2001 overwegende dat niet vaststaat of verzoeker recht heeft op doorbetaling van zijn loon, nu hij bezwaar heeft aangetekend tegen het ontslagbesluit. Rechtbank: Gelet op de Memorie van toelichting (MvT) op lid 2 van art. 47a ZW zal de wetgever bij de totstandkoming daarvan met betrekking tot de daarin genoemde ”onzekerheid” niet het oog hebben gehad op situaties als de onderhavige. Er staat immers vast dat de betrokkene óf recht heeft op ziekengeld ingevolge de ZW, óf (alsnog) recht heeft op doorbetaling van zijn loon. In het laatste geval kan verrekening plaatsvinden. Het kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat een werknemer in een dergelijke situatie gedurende onaanvaardbaar lange tijd verstoken zou zijn van enig inkomen waarop hij recht heeft, omdat, zoals in casu, op grond van de rechtspositieregeling geen loon wordt doorbetaald als aanspraak bestaat op een ziekengelduitkering, terwijl deze laatste uitkering, althans voorschotten daarop, niet wordt c.q. worden verstrekt omdat mogelijk recht bestaat op loondoorbetaling als het ontslag na een bezwaar-, c.q. beroepsprocedure ongedaan wordt gemaakt. Het lijkt, gezien de alsdan ontstane volstrekte patstelling, aannemelijk dat de wetgever op dit punt andere omstandigheden voor ogen hebben gestaan, zoals bijvoorbeeld het niet nakomen van de inlichtingenplicht, het niet verstrekken van voldoende gegevens e.d., op grond waarvan (nog) niet kan worden vastgesteld of er recht op uitkering bestaat. Voor dit standpunt meent de voorzieningenrechter steun te vinden in de in bedoelde MvT neergelegde passage dat voorkomen moet worden dat onnodig uitkering moet worden betaald die vervolgens teruggevorderd dient te worden. Achterliggende gedachte zal daarbij zijn geweest dat er ten aanzien van een eventuele terugvordering risico’s zijn verbonden aan de doorbetaling van de uitkering in die zin dat problemen kunnen ontstaan met betrekking tot de terugvordering daarvan. Deze problemen behoeven zich in een geval als het onderhavige echter niet snel voor te doen, nu ten onrechte uitbetaalde voorschotten verrekend kunnen worden met het bij eventueel herstel van het dienstverband door de werkgever alsnog te betalen loon. In casu is voldoende aannemelijk geworden dat ter zake sprake is van onverwijlde spoed. Toewijzing voorlopige voorziening. De Raad van bestuur van het UWV, verweerder. mr. J.J. Szauer-Bos

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen