Rb. Zwolle 16 augustus 2002, ECLI:NL:RBZWO:2002:AE6600
Mededeling dat in het kader van een verzoek tot ontheffing van verzoekster uit het ouderlijk gezag een rapport zal worden verzonden aan de kinderrechter is niet gericht op rechtsgevolg. Mededeling dat in het kader van een verzoek tot ontheffing van verzoekster uit het ouderlijk gezag een rapport zal worden verzonden aan de kinderrechter. Een beslissing tot het indienen van een rapport bij de kinderrechter in het kader van een verzoek aan die kinderrechter als bedoeld in art. 1:267.1 BW, om een ouder van het gezag van haar kind te ontheffen, kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Een dergelijke beslissing brengt evenmin als het indienen zelf een verandering in bestaande rechtsverhoudingen teweeg nu daardoor geen bevoegdheden, rechten of verplichtingen ontstaan of teniet gaan. Het enkele feit dat in de door verweerder gehanteerde beleidsregels “Normen 2000” de afgifte van een rapport als voorbeeld wordt genoemd voor een situatie waarin het geraden kan zijn de bestuursrechter om een voorlopige voorziening te vragen, maakt dit niet anders. Nog daargelaten dat voor de bepaling of een beslissing als besluit in de zin van art. 1:3 Awb kan worden aangemerkt aan beleidsregels geen (doorslaggevende) betekenis kan toekomen, is van de zijde van verweerder ter zitting duidelijk gemaakt dat het genoemde voorbeeld ziet op hele andere situaties dan de onderhavige, bijvoorbeeld de afgifte van een rapport in het kader van de Wet Openbaarheid van Bestuur. Ook als de brief zou moeten worden gelezen als een beslissing tot het indienen van een rekest tot ontheffing van het ouderlijk gezag, kan die beslissing niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Weliswaar komt aan een verzoek als bedoeld in art. 1:267.1 BW rechtens betekenis toe in die zin dat de kinderrechter uitsluitend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming (of een vordering van het openbaar ministerie) kan beslissen tot het ontheffen van het ouderlijk gezag, maar het gaat daarbij niet om een handeling gericht op rechtsgevolg in de zin van de Awb. Het met het verzoek beoogde rechtsgevolg wordt eerst dan in het leven geroepen indien de kinderrechter tot zijn beslissing inzake de ontheffing is gekomen. Verzoekster kan door de voorzieningenrechter niet in haar verzoek om een voorlopige voorziening worden ontvangen. De Raad voor de Kinderbescherming, verweerder. mr. J.H.M. Hesseling
De uitspraak op rechtspraak.nl