Rb. Zwolle 12 februari 2002, ECLI:NL:RBZWO:2002:AD9393

Toekenning immateriële schadevergoeding ad € 23.000,--, nu verweerder een zeer ernstig verwijt valt te maken van de door zijn toedoen aan eiser berokkende immateriële schade als gevolg van discriminatie. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding ad ƒ 100.000,--. Verweerder heeft eiser een materiële schadevergoeding toegekend van ƒ 7.650,-- en een immateriële schadevergoeding van ƒ 15.000,--. Rechtbank: De rechtbank is van oordeel dat art. 69.1 ARAR (slechts) dient te worden gezien als algemene bepaling die ziet op de bevoegdheid van de betreffende minister om in individuele gevallen besluiten te nemen omtrent schadeloosstelling. Eiser heeft weliswaar gesteld dat deze bepaling meer ziet op risico-aansprakelijkheid dan op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, maar de rechtbank ziet in de redactie van de bepaling noch in de toelichting daarbij grond die stelling zonder meer juist te achten. Evenmin bestaan aanknopingspunten te veronderstellen dat de wetgever met laatstgenoemde bepaling heeft beoogd af te doen aan de uit art. 6:162 BW voortvloeiende aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat art. 69.1 ARAR de ruimte laat om in voorkomende gevallen de gebruikmaking van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid in te kleuren aan de hand van art. 6:162 BW. Dit zo zijnde, is de rechtbank van oordeel dat de rechterlijke toetsingsmaatstaf in het onderhavige geval niet anders zou zijn geweest indien verweerder de toekenning van schadevergoeding niet had gebaseerd op art. 69 ARAR. Uitgaande van het vorenstaande, dient te worden vastgesteld dat niet in geschil is dat in casu sprake is van onrechtmatig handelen van verweerder jegens eiser en dat eiser als gevolg daarvan schade heeft geleden die mede bestaat uit immateriële schade. Gelet op de uit het dossier naar voren komende gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat verweerder een zeer ernstig verwijt valt te maken van de door zijn toedoen aan eiser berokkende immateriële schade. Hierbij heeft de rechtbank m.n. het oog op het feit dat eiser in zijn werk - zowel van de zijde van zijn directe collega's als van de zijde van de directie van de inrichting waar hij werkte - te maken heeft gekregen met discriminatie waartegen door of vanwege verweerder niet is opgetreden, op het feit dat eiser op ondeugdelijke gronden ontslagen is geweest en op het feit dat verweerder niet aanstonds maar eerst nadat eiser daaromtrent meerdere procedures heeft moeten voeren, is overgegaan tot herstel van eisers rechtspositie. Daarbij heeft eiser niet alleen moeten procederen over zijn (vaste) aanstelling maar tevens over zijn inschaling. Daar komt nog bij dat eiser, blijkens de psychiatrische rapportage van 16 april 1999, vanaf 1993 tot juni 1996 psychische klachten heeft gehad, waarvoor hij onder behandeling is geweest, welke klachten hun oorsprong vonden in de door eiser in zijn werk ondervonden discriminatie en zijn ontslag en die zijn bestendigd door de wijze waarop verweerder de diverse procedures van eiser heeft afgehandeld zonder dat door of vanwege verweerder op enig moment aan eiser excuses zijn aangeboden. Gelet op de ernst van het verwijt dat verweerder in het onderhavige geval valt te maken, is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de bij het bestreden besluit aan eiser toegekende vergoeding wegens immateriële schade in geen verhouding staat tot de door eiser ondervonden gevolgen van verweerders handelwijze. Het voorgaande betekent dat niet kan worden gezegd dat verweerder het bedrag aan immateriële schadevergoeding bij het bestreden besluit in redelijkheid heeft kunnen bepalen op ƒ 15.000,--. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artt. 3:4.2 en 7:12.1 Awb. Beroep gegrond. Om te komen tot finale beslechting van het al zeer geruime tijd tussen eiser en verweerder bestaande geschil, voorziet de rechtbank ex art. 8:72.4 Awb zelf in de zaak. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, aanleiding het bedrag van de door verweerder aan eiser uit te betalen vergoeding voor geleden immateriële schade in redelijkheid en billijkheid vast te stellen op € 23.000,-- netto, te vermeerderen met het bedrag dat eiser blijkens vaststelling door de bevoegde autoriteiten ter zake daarvan over het jaar van uitbetaling van genoemde som aan belasting verschuldigd zal zijn, en waarop niet in minderheid gebracht dient te worden het bedrag dat eiser door verweerder reeds is toegekend voor de door hem geleden materiële schade. De rechtbank hecht eraan ten overvloede nog op te merken dat het aanbieden van excuses aan eiser door of vanwege verweerder ook thans nog meer dan op zijn plaats zou zijn. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat het uitbetalen en duidelijk specificeren van de door verweerder aan eiser toegekende vergoeding voor materiële schade en van het aan eiser toekomende achterstallige salaris en rente tot dusverre evenmin op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De Minister van Justitie, verweerder. mrs. J.J. Szauer-Bos, M.A. Pach, M.H.P. Beukelman

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen